Het dagboek: "Onze dagen, van 17 september tot 6 october 1944"
door Theo Driessen
Hans Braakhuis
laatste update: 2 april 2017

home 
AAN MIJN KINDEREN
Het herhaaldelijk aangekondigde, nauwelijks meer verwachte, was gebeurd: de grote landing in het Westen, de Atlanticwal doorbroken!
Wat was de verbijsterend snelle opmars der Duitse troepen in Mei-Juni 1940, vergeleken bij deze prestatie. Toen een vrijwel weerloos, in de nacht overvallen Nederland en België, een verdeeld en achter de Maginotlinie ingeslapen Frankrijk; nu de zich zelf noemende grootste militaire macht ter Wereld, met de sterkste middelen verschanst langs grotendeels ongenaakbare kusten; toen de rijkste gebieden van Europa overvloeiende van honing en melk, ondenkbaar grote buit aan grondstoffen en goederen, geweldige mogelijkheid van organisatie en productie; nu leeggeroofde landen met ondervoede en uitgedunde bevolking. Wel heette het aldoor op hogen toon dat in het Westen elke landing een fiasco moest zijn, zo niet reeds in allereerste stadium dan toch bij verdere ontwikkeling, maar nu was het gelukt: murw gemalen de gigantische kustversterkingen, de diepe verdedigingsgordels: landingen van zee uit met speciale transportschepen in door middel.van zinkers en tot zinken gebrachte schepen kunstmatig gevormde, voor de branding afgesloten bekkens, landingsvaartuigen, amphibietanks en andere ongekende middelen; landingen uit de lucht met parachuten, zweefvliegtuigen en fantastische luchttreinen; geweldige vloten op grote en kleine afstand opererend en bescherming biedend; zegevierende techniek, zegevierend materiaal, zegevierende moed, voorbereiding en volhardingl
    
En nu waren de enorme legermachten in beweging gekomen en hadden zich waaiervormig over heel Frankrijk uitgebreid. De Duitse linies waren doorbroken, afgesneden, of omsingeld; de Duitsers moesten terugtrekken of vluchten en hielden alleen, de moed hunner aan de kusten verankerde troepen getrouw, nog stand in de belangrijkste havens, waardoor de Geallieerden in grote mate bemoeilijkt werden in hun aanvoeren. Maar de technische middelen en vindingrijkheid der Geallieerden overwonnen elke moeilijkheid en in ongelooflijk korte tijd stonden geweldige legers, gesteund ook door landingen in het Zuiden van Frankrijk, als een vrijwel aaneengesloten front op afwisselende afstand de Rijn volgend, van Bazel tot Aken aan de poorten van Duitsland en rukten weer andere legers door België naar het Noorden, Zou van het Zuiden uit Nederland bevrijd worden, of zouden de troepen alleen in Zeeland de Schelde vrijmaken en andere door Brabant en Limburg heen naar de Rijn omzwenken? Geen twijfel leed het antwoord op die vraag toen aangekondigd werd: De Prinses terug in Engeland, de Prins aanvoerder der Nederlandse troepen en der Ondergrondse Beweging, onder Generaal Eisenhower, Montgomery in Nederland; geen twijfel scheen ook aan het tempo der bevrijding, toen alom vernomen werd: Breda gevallen, Engelse troepen over de Moerdijk tot voor Rotterdam en toen de Duitse civiele bezetting werd teruggetrokken en in het Zuiden van Nederland tot over de Rijn toe, overal vluchtende Duitse groepen verschenen, verstrooid vanuit Noord-Frankrijk en dwars door België heen. Vlaggen in onze grote steden, N.S,Bers uitgeweken — totdat de geruchten vals bleken, de krijgsverrichtingen der Geallieerden in het Noorden van België belangrijk werden opgehouden en de Duitsers in Nederland sterke concentraties tot stand brachten. Ook ditmaal hadden de Nederlanders zich door een vergaand optimisme laten leiden; volgens hen die het weten konden zouden er geen Duitse troepen van belang meer in het land staan; er zou demoralisatie op grote schaal bij de bezetting heersen; de Ondergrondse Beweging zou practisch over de meeste punten van strategisch gewicht beschikken.
Wij, te Doorwerth hadden ze gezien, de gevluchte Duitsers uit Noord-Frankrijk: niet of nauwelijks meer toegerust, bij kleine groepen tegelijk naar de grenzen trekkend. Ze hadden ons lastig gevallen, ons horloge opgeëist, waarvoor zij een compas ontvingen, wijn begeerd, waarvoor zij limonade kregen, onze verrekijker gestolen. Op de Duno waren ze bij honderden tezamen gebracht en gereorganiseerd en op een enkele na - van hoger rang - heette het: de oorlog is uit, verloren, de Tommy is niet te weerstaan, alleen staal en vlammen is hij, zien doet men hem niet.
Een, twee weken, duurde het. Waarom sloegen de Geallieerden hier niet toe, zeker zou het een succes zijn geweest! Maar intussen groeide het weerstandsvermogen Een, twee weken, duurde het. Waarom sloegen de Geallieerden hier niet toe, zeker zou het een succes zijn geweest! Maar intussen groeide het weerstandsvermogen van de Duitsers in Nederland; het bekende Duitse organisatievermogen volbracht ook hier wonderen, die eerst ontdekt zouden worden als het te laat zou zijn.

Zondag 17 September,
Een prachtige dag: lichte nevels kondigen de komende herfst aan, maar weldra baadt het landschap in het wekkende zonlicht dat dwars over de uiterwaarden tegen de kartelige bosrand aanschiet en de omzomende heuvels in een weelde van gouddoordrenkt groen en brons zet.
Ik ben vroeger beneden dan gewoonlijk en ga ineens naar mijn bureau in de zaal om enkele dingen te noteren die mij 's nachts zo duidelijk voor de geest stonden. Na ons Zondag’s ontbijt met echte thee (overigens heel sober) loop ik naar buiten. Ik ben geladen met gedachten en bemerk dat ik zonder het te weten het toepad de berg op ben gelopen, de rand van het eerste dal langs, op weg naar het Berghuis. Als altijd sta ik daar op het brede witte terras, gevangen door het uitzicht: over de twee ingeslepen dalen met hun tekenende omzoming van hoog en laag hout, over uiterwaarden en Rijn ontplooit zich in kleur en pracht de Betuwe, met de heuvels van Nijmegen en Kleef in het verre verschiet, als een heerlijk land in rust en vrede. Niets van de oorlog, alleen het geschonden silhouet van Nijmegen herinnert aan de wrede brand van Februari.
Die oorlog — daar is hij weer: in razende vaart stormen Engelse jagers aan, twee, vier, zes, een hele zwerm — de boordwapenen ratelen en het afweergeschut dreunt, ook vallen er ver weg lichte bommen.
Naar huis, "Ik geloof dat we vandaag beter allemaal vlak-bij huis blijven", roept Tous mij van het eetkamerterras tegemoet. De kinderen staan buiten en wijzen op groepen van telkens zes bommenwerpers. Zij weten precies te vertellen wat er gebeurt: de stellingen bij de spoorbrug bij Oosterbeek bestookt, bommen op Arnhem. En dan komen nieuwe zwermen jagers aan. Tous met Helen naar binnen, de kinderen en ik vlak bij huis. Het schieten duurt nu langer en het is duidelijk dat het aldoor gaat om Oosterbeek, Arnhem en noordelijk gelegen terreinen. Even plotseling als het kwam opzetten is alles voorbij.
Ik neem een stoel van het zaalterras en ga buiten zitten, afgewend van het uitzicht en met een blik op ons huis. Zo vaak, de laatste jaren zit ik zo in beschouwing over mijn huis: hoe het allengs groeide en ik daarbij steeds zocht naar rythme en verhouding, hoe ik al bouwende de oorspronkelijk gevolgde bouwmotieven liet varen en eigen vond bij de bouw van de toren, mijn grootste voldoening èn door verhoudingen en door het punt waar hij woonhuis, kinderhuis en muziekzaal tezamen bindt. Ik verheug mij wederom in de aanblik van. het vierdelige complex, opgetrokken in het prachtigste pitchpine-hout, hier en daar met groen geverfd hout afgewisseld en op enkele plaatsen onderbroken door muurwerk.
En ik herinner mij blijde, hoeveel vraagstukken in verband van buiten en binnen-bouworde ik heb opgelost en hoe ik juist ook bij het gehele interieur er naar streefde mijn bijzondere eisen van comfort en schoonheid te verwezenlijken. Al zou ik tegenwoordig in een andere stijl bouwen, zeg ik mijzelf dan, toch is dit goed, en van wel geen ander geheel zou op deze uitverkoren plek, zulk een romantische bekoring kunnen uitgaan. Ja, "Het Jagershuis" (wat is die naam van eertijds voor ons toch dwaas) is mij dan ook wel heel dierbaar!
Ik overdenk hoe de omstandigheden met ons waren, dat wij ons huis mochten behouden, de gehele oorlog door, dat wij niet zoals zoveel anderen er werden uitgezet, of erger, het zagen verdwijnen door afbraak of verwoest door oorlogsgeweld. Een gevoel, van grote dankbaarheid komt in mij op, want geweld aan ons huis, dit huis, ik zou er niet overheen hebben kunnen komen - en ~ de bevrijding van ons Land is nu wel aanstaande. Waar was trouwens veiliger plek in Nederland te vinden geweest? Oprukkende legers uit het westen zouden immers nooit de wegen volgen door Doorwerth, want die wegen hadden zeer slechte aansluiting aan het hoofdverkeersnet en liepen bijna alle in dwarsrichting, en een aanval op de Doorwerthse heuvelrug vanuit de Betuwe was, schoon theoretisch onder het oog gezien, nauwelijks denkbaar; maar toch, nu de Geallieerden uit het Zuiden oprukten, de Rijnlinie moest worden afgesloten en vermoedelijk naar het Noorden verlengd zou worden (op Duits gebied wellicht reeds verlengd was langs het Eemskanaal tot aan de Dollard) en de grote rivieren in Nederland een natuurlijke barrière vormden, trad de lijn Nijmegen-Arnhem-IJsel, als verdedigingslinie op de voorgrond. Doch zelfs dan zou Doorwerth geïsoleerd als een eiland, wel buiten directe gevechtshandelingen blijven, hoezeer het dan ook mogelijk zou zijn dat die zich tot Oosterbeek zouden uitbreiden.
Het weerstandsvermogen der Duitsers in Nederland scheen echter gebroken en naar alle waarschijnlijkheid zouden gevechten in ons Land alleen ten doel hebben de troepen over de Duitse grenzen te kunnen terugnemen. Stellig, de oorlog zal nu wel gauw ten einde zijn! En het is alsof deze prachtige laatzomerse Zondag de weldra komende Vrede aankondigt.
In opgewekte stemming ga ik naar binnen, zet mij aan vleugel, en orgel en bemerk niet dat buiten het rumoer in de lucht gestaag toeneemt. Totdat Theo en Herman mij komen roepen om toch eens te kijken hoe boven Oosterbeek, Arnhem, Elst en Nijmegen, de Engelse vliegers met boord-wapenen en bommen aanvallen. Men ziet niemand buiten, ook niet op de dijk van de Rijn, alleen op de weg rond het Kasteel staan twee jongens te kijken en duiken telkens achter het talud weg.
Onder het middageten gaat de actie in de lucht met tussenpozen door, wij zien dwarrelende dingen uit de lucht vallen. De kinderen er op uit. Het zijn de bekende zilverpapiertjes en ook stukken van kartonnen dozen, kenbaar afkomstig uit Amerika. De twee jongens die op de dijk liepen komen nu op ons huis aan gerend omdat in de buurt iets groots moet zijn gevallen. Zij vinden niets, komen terug en blijven bij de-kinderen op de terrassen kijken naar het gebeuren in de lucht, Tien over half drie — wat komt daar aan, heel in de verte boven het Kasteel? Het lijkt een wazige zwerm libellen en het zijn honderden vliegtuigen die onhoorbaar nog, langzaam naderen. Hun langzame gang verwondert ons, maar dan wordt hun zwaar geronk hoorbaar, dan zien wij hoe ze twee aan twee bij elkaar behoren en eindelijk dat het tractors zijn met zweefvliegtuigen, Reeds worden boven ons de kabels losgelaten en keren de tractors, terwijl de zwevers na enigszins te duiken langzaam voortgaan. Het zijn alle zeer grote vliegtuigen met geen, twee of met vier motoren, stompe vleugels en overdwars met drie witte banden gemerkt.
Wij begrijpen nu de situatie beter: de jagers en bommenwerpers hadden gedurende de voorafgaande uren de weg gebaand voor een reusachtige landingsvloot. Groep na groep duikt op uit de verte en na enige onderbreking verschijnt een nieuwe serie; de gehele vloot is geflankeerd en overkoepeld door jagers. Wij tellen ruwweg bij elkaar minstens duizend vliegtuigen, waaronder stellig driehonderd zweefvliegtuigen en enige honderden zeer grote viermotorige vliegtuigen die geen zwevers trekken en vermoedelijk alleen parachutisten bevatten. De landingen moeten wel heel dichtbij geschieden, op de heide grenzende aan de Utrechtseweg of bij Wolfheze. Om ongeveer vijf uur is alles afgelopen, maar in de richting van de Utrechtseweg bij Oosterbeek hoort men mitrailleurvuur en een eigenaardig geluid, dat naar wij later vernemen vlammenwerpers zijn geweest. Wij raden de twee jongens aan zo gauw mogelijk naar huis te gaan, hetgeen zij met achterlating van hun rugzakken doen.
Wij leven in grote spanning. Waartoe zal dat buitengewoon gebeuren leiden? Duitsers waren er niet in de lucht, maar waarom zweeg het afweergeschut? Zou alle weerstand in deze omgeving reeds zijn opgegeven? Van Zondag op Maandagnacht schieten in de verte met mitrailleurs, en klein geschut en heel ver weg, als achter Nijmegen, een aaneen geschakeld zwaar gedreun. Zou daar het grote leger der Geallieerden naderen, is het verband met de landingstroepen reeds binnen een of twee dagen te wachten?

Maandag 18 september dringen berichten door dat Oosterbeek-Hoog reeds Zondagmiddag om vijf uur vrij was. en dat er nog slechts enige weerstand is in Oosterbeek-laag, terwijl de Engelsen reeds voor Arnhem, bij het viaduct over de Utrechtsestraatweg staan. De gehele dag door horen wij verwijderd schieten, maar wij kunnen de plaats slechts gissen. In de namiddag komt er weer een luchtvloot over, minder groot dan die van Zondag en iets meer Oostelijk gericht. Het afweergeschut is nu wel in actie. Van ‘s morgens elf tot ‘s avonds zes uur is er geen electrische stroom.

Dinsdag 19 september. Dinsdagochtend komt er veel as en verbrand papier overwaaien uit de richting Arnhem; vele half verbrande papieren zijn nog leesbaar. Ik ga met de kinderen op de Duno kijken. Wij ontmoeten er den op Eikenhof geëvacueerden dokter * (* Hier en verder zijn namen weg gelaten. T.Driessen) die te vertellen weet dat de landing zich zeer gunstig ontwikkelt, maar dat te Arnhem hard wordt gevochten. Tegenover mijn taxatie dat er 5000 man, ten hoogste 10000 man, zouden zijn geland, beweert hij met klem dat het cijfer dichter bij de 30 dan bij de 20.000 zal liggen.
In de Dunolaan zijn de Duitse auto’s verlaten blijven staan en het Hotel en de School ten behoeve van de reorganisatie door de Duitsers in gebruik, staan leeg. Vanaf de Hunneschans zien wij veel rook uit Arnhem opstijgen en horen wij veel duidelijker dan vanaf het Jagershuis het geschut. Bij het Berghuis zien wij weer een grote luchtvloot zoals die van maandag overkomen. Het afweergeschut is wederom sterk in actie. Thuisgekomen, komt boer Frederiks voorbij, die vertelt dat bij hem en tegenover hem en bij van Dalen, Engelsen zitten. De kinderen willen gaan kijken en wij vinden het goed, mits zij omkeren zodra er iets onveiligs blijkt. Zij komen terug met verhalen over Engelsen in kleine auto’s die over het Drielse veer kwamen vanuit de Betuwe, waar zij verkeerd geland waren. Zij werden bij het Veer toegejuicht, 's Avonds wordt onze aandacht angstig gevangen door hevige branden in Nijmegen; er zijn wel 5 haarden en wij kunnen de brandgranaten op hun baan boven de stad volgen.

Woensdag 20 september. Woensdagochtend ga ik zelf per fiets op weg naar Oosterbeek. Bij de Heveafabriek passeer ik een groep mensen, die mij vragen of ik iets gezien heb van Duitsers die onderlangs uit Heelsum zouden aankomen. Onderaan de Westerbouwing tref ik gecamoufleerde ingegraven Engelsen aan, bij van Dalen hoor ik dat een Engels kanonnetje (een 6 ponder) een dag lang vanuit zijn tuin naar de Betuwe heeft geschoten en dat het nu naar de gasfabriek is verplaatst. Maar in die richting raadt hij mij niet aan verder te gaan, omdat in Oosterbeek laag nog wordt gevochten. Ik ga daarom de Oosterbeekseweg in de richting van de Westerbouwing op en zie aan weerszijden van den weg Engelsen kleine kanonnen (6 ponders) opstellen. Boven, bij het Heveadorp, tref ik vele mensen aan, uitkijkend naar Duitsers die zouden naderen.
Ik rijd door het dorp als plotseling een paniek uitbreekt: kijk, daar komen ze. Alles vliegt de huizen binnen. Op de Duno gekomen blijkt het gerucht van naderende Duitsers de daar verzamelde bewoners van het Heveadorp reeds bereikt te hebben, want allen zetten het op een lopen. Ik rijd de Dunolaan op en van een passerende wagen van de voedselvoorziening wordt mij toegeroepen dat de Duitsers terugkomen. Bij Eikenhof zegt de dokter dat het alleen maar gaat om een groepje afgesneden Duitsers die een uitweg zoeken; de Engelsen zouden er best voorstaan en grotendeels Arnhem met de Rijnbrug bezet hebben. Thuis weet men van niets, maar even later meldt Dirk dat er Duitsers bij de Zalmen zitten en weldra zien wij hen op de Kasteeldijk lopen. ‘s Middags om twee uur verschijnt een groepje Duitsers aan het Jagershuis, het doet mij denken aan mijn diensttijd: een werkelijke "spits". Zij kijken angstig en brutaal tegelijk en vragen ons waar de Tommies zijn. Wij antwoorden dat niet te weten en ook dat er hier geen geweest zijn. Zij geloven dat niet, kijken in huis en zoeken de omgeving af. De commanderende onderofficier laat een paar manschappen bij het Jagershuis achter en gaat verder de benedenweg op. De achtergebleven mannen maken gemoedelijke praatjes en dan bemerken wij niets meer. Maar de vreselijke branden van Nijmegen verontrusten ons zeer; er is een vuurhaard van zeker 1 KM lengte en daarnaast verscheiden kleinere; het is erger nog dan in Februari. Het verre schieten wordt minder. Elektrische stroom is er nu in het geheel niet meer, zodat ook onze eigen watervoorziening stop is komen te staan. Gelukkig heb ik een handpomp in orde doen maken op de wei, wij hebben dus alleen maar last, maar geen watergebrek.
In de nacht van Woensdag op Donderdag worden Tous en ik verschrikt door allerlei geluiden: troepen trekken langs het huis er zijn paarden bij en ook zware auto's met rupsbanden (tanks?). Het kanongebulder is veel sterker geworden en houdt zonder ophouden aan (trommelvuur?). Wij besluiten de kinderen maar wakker te maken en gezamenlijk in de eetkamer te gaan zitten. Als er niets gebeurt gaan wij na een paar uur weer naar bed.  

Donderdag 21 september
. Bij het aanbreken van de dag zie ik vanuit Helens kamertje Engelse krijgsgevangenen met opgeheven handen onder sterk geleide voorbij komen en voorop drie vrouwen met geboeide handen, dan komen er Duitse gewonden aangestrompeld en later andere op boerenwagens. Om 8 uur komen drie grote tanks de Italiaanseweg af; zij draaien de weg onderlangs op, richting Heveadorp. De tweede tank loopt vast in de wegdoorgang (= "klemmen"), de eerste rijdt door en de derde terug; de tweede tank is ondanks de grote moeite die men deed niet meer van zijn plaats gekomen. De vier manschappen komen bij ons aan huis water drinken en vragen of wij hun eten willen opwarmen, hetgeen gedaan wordt. Zij doen veel verhalen over hetgeen zij beleefd hebben en zijn zeer voorkomend.
Nu volgen drie dagen vol verschrikkingen. Donderdagochtend beginnen er bij tussenpozen granaten om het huis te vliegen; ze fluiten op vrij grote hoogte voorbij en slaan ergens in de verte in. Om een uur of negen staan ineens een onderofficier, met twaalf man in huis om mij heen. Hij zegt dat binnen een kring van enige honderden meters om ons huis radioseinen aan de vijand zijn gegeven en dat, waar hier geen andere huizen zijn, het wel van ons huis uit moet zijn geschied.
Waar is uw radiotoestel? Wij hebben er geen en geven geen seinen ook. Zeg de waarheid want het kan uw gehele gezin het leven kosten. Het is de waarheid. Dan onderzoeken zij het huis. Ik moet mee tussen twee soldaten in. Tot Madeleine, in de zaal, was inmiddels gezegd: blijf hier. Je wordt doodgeschoten als je liegt, waar is de radio. Die hebben wij niet. En wat is dat, wijzend op het orgel. Een orgel. Hier blijven tot je vader komt. Gelukkig realiseert Malein zich helemaal niet de ernst van de situatie, zo zeker is zij. De gehele groep gaat met Tous en mij mee. Alles lijkt hun verdacht, tot mijn rheumatiekkussen toe. De vol automatische centrale verwarming met zijn vele electrische apparaten heeft in het bijzonder aandacht. Ik expliceer alles heel rustig en men toont zich minder wantrouwend, maar in het sloydlokaal (kleuter-lokaal, H.B.) liggen enige lampjes die Theo en Herman van een Duitse op de Dunolaan verlaten auto als souvenir meenamen en waarvan Tous te goeder trouw zegt dat ze van het destijds vlakbij ons gevallen Engelse vliegtuig zijn.
 De onder-officier ziet dat dit niet klopt en ineens denkt hij de zendercode te hebben ontdekt: een rekenpapiertje van Herman met afgekorte sommetjes. Eindelijk begrijpt hij hoe het zit en komt zijn zuur gezicht in een lach. Dan moet ik nog even orgelspelen ook om Madeleine te verlossen. Juist als er granaten over het huis fluiten. De stemming wordt beter en de groep trekt af, maar belooft terug te komen als er nog weer seinen werden opgevangen.
 Later in de ochtend komen de oude mevrouw Meyer, moeder van den directeur van de Heveafabriek met een opzichter van de fabriek aan het Jagershuis, helemaal van streek. Eerst Engelsen bij het huis op de Hunneschans, toen Duitsers; haar zoon en diens dochter vermoedelijk door de Duitsers weggevoerd. De oude mevrouw nemen wij natuurlijk bij ons op, de opzichter gaat na een middagmaal door naar de hem bekende boerenfamilie van den Born (de "kleine").
 Kort daarop komen vijf soldaten aanhollen: “gauw, vijf fietsen de Tommies komen opzetten”. Ze vliegen weg op onze fietsen; we brengen ze wel terug, roepen ze ons na. Later hoort Tous dat drie van hen zijn doodgeschoten omdat ze gevlucht waren; twee fietsen worden teruggebracht.
 In de loop van de dag komen telkens nieuwe - groepen aan het huis: Waar zijn de Tommies? Zij waren nooit hier. Het huis wordt onderzocht, onze loopgraaf behoedzaam betreden, gerust wordt in het bos en vriendelijke praatjes worden aangeknoopt met Wonne en Madeleine, die versteld staan over de diep menschelijke verhalen van huis en land en de onverholen verlangens naar het einde van de oorlog, hoe ook; foto’s worden getoond en geen onvertogen woord gesproken.
Er komen steeds meer soldaten in de Zalmen, waar een Rode Kruis-hulppost wordt gevestigd, rond het Kasteel en rond het Jagershuis.
Velen komen drinken, anderen zich wassen aan de pomp, sommigen vragen gebruik te mogen maken van de beneden toiletten om zich te scheren, enkelen geven Tous pakjes cakes uit Engelse voedingsparachuten die in Duitse handen kwamen. Ben geeft een busje Engels theemengsel, bestaande uit suiker, melkpoeder en gemalen thee, dat bij opgieten van kokend water een uitstekende theedrank geeft. Er worden koeien op de wei gemolken in soldatenhelmen. Tous verheelt den soldaten haar afschuw van den oorlog niet en de mannen voelen zich daardoor blijkbaar op hun gemak bij een moeder die zoo durft spreken. In de loop van de namiddag ga ik naar Dirk van Grol. Hij weet geen raad met zijn oude inwonende schoonmoeder en naar hem gekomen eigen moeder en nog een gevluchte oude vrouw. Het is mij of ik van hem en Trui afscheid neem. In de namiddag maken wij een mislukte ravitaillering van de Engelse landingstroepen mee. Een groot aantal vliegtuigen van de landingsvloot laat hun voorraad dalen boven de Betuwe en deels op de Doorwerthse bossen: voorraden voor wel duizend mensen vallen in Duitse handen. Men brengt er ons iets van, ook een zijden (kunstzijden) parachute waaraan de voedsel pakketten, meestal in grote practisch ijzeren trommels verpakt, hangen.
's Nachts horen wij veel mitrailleurvuur, maar ook geweervuur en wederom het dreunende geschut uit de richting Nijmegen, dat opnieuw naderbij schijnt gekomen.

Vrijdag 22 september. Vrijdagmorgen vroeg horen wij opeens zware wagens en commando's: er rukt licht geschut aan. In een ommezien wordt voor ons huis en op de weide afgeladen en is er een linie gevormd vanaf de Kasteeldijk tot voor de klemmen. Het zijn stukken geschut van de luchtafweer, zeer geschikt ook voor andere doeleinden, Na een uur reeds beginnen de kleine kanonnen te schieten en ook de mitrailleurs die men achter de linie heeft ingegraven. Terwijl men schiet worden de stukken beurt om beurt verder ingegraven en achter de linie worden schuilplaatsen gebouwd. Alles gaat gemoedelijk, maar vlot.
Met toestemming van een officier gaat Tous hulp vragen bij de Zalmen voor mevrouw Meyer, die met het oog op een vlucht niet langer bij ons durven behouden, terwijl Tous op advies van den officier ook Dirk van Grol wil waarschuwen, dat het beter is de koeien uit de wei te halen. Bij de hulppost van de Zalmen beloofd men zo mogelijk een bericht te zullen doorgeven en Dirk van Grol wordt met vele andere boerenmensen aangetroffen in een
schuur achter de boerderij van den kleinen van den Born, Van het gezin van onzen van den Born met de negen kleine kinderen is niets bekend. Alleen Dirk voelt er wel wat voor zijn koeien uit de wei te halen. Tot onze ontzetting werd in de schuur met stelligheid verteld dat de Heer Meyer en dochter dood onder aan den weg waren gevonden. Ik weiger het te geloven. Op de terugweg springt Tous tengevolge van het hevig schieten bij een soldaat in een van de ronde kuilen.
Er komen nog aldoor meer soldaten bij het Jagershuis; zij nestelen zich in de bossen rondom, naar het heet zitten de Engelsen achter de dijk aan de overzijde van de Rijn, maar men ziet hen niet.
Van een vooruitgeschoven verkenningspost dreigt nu het Jagershuis regelrecht in de vuurlinie te worden opgenomen. Zouden wij weg moeten, weggaan? Onze stelregel was steeds zolang bij huis te blijven als het maar kan, Wij vragen hier en daar advies, maar het antwoord luidt verschillend: Een hoofdofficier, waarschijnlijk op inspectie, zegt aan Tous dat wij gerust in ons huis kunnen blijven, een ander officier zegt aan mij dat wij beter zouden doen weg te gaan, omdat er wel hard gevochten zal worden en dan moeten wij toch weg. Andere militairen raden ons eveneens weg te gaan, en het lijkt ons zeker dat, wanneer de
engelsen aan de overzijde van de Rijn de strijd aanbinden, wij niet zullen kunnen blijven. Zo komt ons de waarschijnlijkheid van van een vlucht steeds meer voor ogen.
Wij inspecteren daarom alles wat voor een vlucht reeds geruimen tijd geleden in gereedheid was gebracht. Tous en de kinderen elk een zwaar bepakte rugzak, ik een klein koffertje met de hoognodige papieren (geld en legitimatiebewijzen in twee portefeuilles op zak) en enige verbandmiddelen en verder een valies met de meest noodzakelijke kleren, toiletbehoeften enz. Dan elk een reisplaid of deken en trommels eetwaren en flessen mineraalwater met twee wagentjes voor transport. Wij inspecteren het huis. Wat is nog te doen? Mijn papieren van waarde en stukken van groot belang zijn geruimen tijd geleden bij diverse banken ondergebracht en bewijsstukken daarvan alsmede gewaarmerkte copieën bevinden zich deels in de safe van de Nederlandse Handelmaatschappij te Arnhem, deels in een extra gemaakte met zink omklede kist, bij huis diep ingegraven. Op dezelfde wijze is een doorslag van het boek van mijn Werk, bij tot 31.12.43, geborgen, terwijl de Grafieken in een dubbele zinken-rol werden gesloten en bij de hand gehouden in de orgelkelder. Verder werden nog enige bijzondere objecten op ons terrein ingegraven. Van alles wat aldus geborgen was had ik een register in triplo aangelegd, waarvan ik één exemplaar steeds beschikbaar hield om op zak te steken (wat ik nu doe). Maar vele documenten van belang konden niet het huis uit en werden geborgen in speciaal gemaakte met zink gevoerde eiken kisten onder de vloer van de zaal en andere in de archiefkisten in de orgelkelder. Uiteraard bleven vele stukken voor de hand liggen in mijn werkbureau (tekentafel) of schrijf bureau in de zaal, waaronder het onderhanden zijnde exemplaar van mijn Werk, met alle bijbehorende notities. Ik had een lijstje gemaakt van hetgeen ik in geval van nood - zo er tijd voor zou zijn - nog extra zou bergen. Als bergplaats kwam dan alleen de orgelkelder in aanmerking die dank zij de sterke constructie en ondanks het balken plafond (afgedekt met asbestplaten) vrij veilig mocht worden geacht.
Ik werk aldus mijn lijstje af (copie bij bovenbedoeld register) en zodoende worden nog vele zaken in de orgelkelder geborgen.
Maar Tous filmopnametoestel blijft in haar bureau en de kinderfilms blijven in de kelder van de keuken (waar zij tot vrijwaring van uitdrogen zich steeds bevonden) liggen. Ook de automatische platenwisselaar van de grammofooninstallatie blijft in de zaal achter, daar hij niet kan worden losgeschroefd (de platen worden alle geborgen). Van al mijn boeken van belang worden slechts enkele in de orgelkelder geborgen, ik laat de meeste bij talrijke andere zaken die mij lief zijn voorlopig op hun plaats.
Trouwens de orgelkelder is niet berekend op berging van zoveel dingen en er was voorheen nimmer reden onze inventarisobjecten uit ons huis waar het veiliger heette te zijn dan waar ook, te verwijderen. Wij hebben het bovendien nu druk met allerlei maatregelen in het bijzonder ook met de verhuizing van onze slaapplaatsen. Wij durven namelijk niet aan de voorzijde en bij de gevels van het huis te blijven en brengen daarom matrassen en dekens over naar de beneden ruimten van de kinderafdeling onder de sterke gewapend betonnen plaat die ik destijds tegen brandgevaar deed leggen als vloer van de kinderkamers. Onder al die bedrijven door worden wij verschrikt door het in brand schieten, zichtbaar van uit ons huis, door middel van vurige granaten die wij op hun weg geheel kunnen volgen, van het oude karakteristieke Doorwerthse Veerhuis. Het gaat in een oogwenk in vlammen op en de grote boom is weldra een laaiende fakkel. Kort daarop volgen verschillende boerderijen in Driel, waaronder die achter de grote lindeboom en de prachtige "Aanval". Tegen de av ond wordt de grote steenfabriek in brand geschoten die met zijn vele loodsen als een vuurzee tot laat in de nacht blijft branden.
Tegen vijf uur komen wederom vele landingsvliegtuigen in het zicht, grote met vier motoren en geen zwevers. Boven Driel laat elk vliegtuig naar wij schatten 50 man parachutisten vallen van niet hoger dan 200 meter; wij zien de mannen met hun benen zwaaien. Er zullen daar niet meer dan een 5OO man (naar wij later vernemen Polen) zijn uitgeworpen benevens een grote voorraad ravitailleringsmiddelen.
Bij het omzwenken worden twee vliegtuigen aangeschoten, een verdwijnt achter de Koningsberg en een ander stort neer voor de toen nog niet brandende steenfabriek in de Rijn: een doffe slag en hoog opspattend water - niets meer, ook geen belangstelling van Duitse zijde.
De naaste omgeving van het Jagershuis blijkt ineens onder vuur van de overzijde van de Rijn te komen, eerst mitrailleurvuur, later granaatvuur, maar het huis zelf schijnt geen doel te zijn.
Een officier zegt: de Tommy wordt meer en meer ingesloten, uit Oosterbeek is hij reeds verdreven en hij wordt nu hierover aan de Rijn gedrongen; het zal hard toegaan, u moet weg voordat het te laat is. Maar wij gaan niet als wij niet moeten, want zolang zal het niet duren; of de Engelsen zijn werkelijk ingesloten, of zo niet, dan zullen de Duitsers tegen de overmacht die dan tengevolge van het verband tussen de landingstroepen en het grote leger, zal zijn tot stand gekomen, het niet kunnen houden. Zo denken wij. Gedurende de nacht, luguber ver en nabij schieten en soldaten die onderdak zoeken, maar de kleine Helen slaapt uitstekend bij mamma in het bed van het beneden dienstbodekamertje en de andere kinderen niet zo kwaad op de matrassen op de vloer in de waskeuken; de oude mevrouw Meyer had een rustige nacht in een ligstoel in de aan het verblijf onder dezelfde betonnen plaat liggende vestiaire. Tegen de ochtend is er een sterk mitrailleurvuur over en weer over de Rijn en als het dag wordt zien wij tientallen van koeien dood in de wei liggen.

Zaterdag 23 september. Zaterdag stijgt de nood ten top. Het heeft 's nachts bij tussenpozen sterk geregend en de soldaten vertonen zich in grote doelmatig gecamoufleerde regencapes. Er komen er meer dan anders zich wassen en theedrinken. Zij zijn vriendelijk en bewonderen ons dat wij aldoor zijn gebleven. Zij schelden op hun officieren die 's nachts niet in de weiden bleven maar in de garage sliepen.
Zoals andere dagen is er 's morgens enige gevechtspauze. Het is alsof men aan beide kanten gaat eten en drinken en de gewonden verzorgen. Maar weldra begint het weer en ditmaal erger dan tevoren. Wij horen nu aldoor het fluitend geluid van de granaten vlak over het huis en het inslaan in de nabije bossen rondom. Het zijn spring- of splintergranaten, die niet bedoeld zijn voor sterke doelen, zoals huizen, maar voor mensen. Bij de minste aanraking, reeds van boomtakjes, springen zij uit elkaar en slingeren duizend scherven om zich heen in stukken van 10 cm tot aan stukjes kleiner dan een halve cm, alle even venijnig scherp. Bij hun explosie kunnen zij door een verdieping heendringen en een rieten dak wellicht in brand zetten, maar van stevige muren slaan zij alleen maar stukken af. Bij enige geoefendheid kan men eerst het afschieten van de kanonnen horen, vlak er na het fluiten van de granaten (die dus bijna de snelheid van het geluid hebben) en dan daarna de explosie bij het inslaan. Uit het aantal seconden tussen het fluiten en de inslag kan men de afstand van de plaats waar de granaat insloeg afleiden. Men zegt dat de Engelse granaatwerpers vier tot zes kilometer dragen, de Duitse vier kilometer en de tanks, zoals er een bij ons huis is blijven staan, zes kilometer.
Telkens komen Engelse vliegtuigen over en het blijkt dat van Duitse zijde steeds meer afweergeschut geconcentreerd is. Ook constateren wij dat er zo nu en dan Duitse jagers overkomen van een tot dusver niet bekend type; zij vliegen laag en ontzettend snel.
Ineens staan twee mannen van het Roode Kruis voor ons. Het zijn Nederlanders, een assistent dokter (student) en een ziekenbroeder. Zij komen af op het bericht dat de Zalmen heeft doorgegeven en hebben een fiets en een bakfiets bij zich. Zij vertellen ons veel van verschrikkelijke verwoestingen en nog gaande gevechten te Oosterbeek en van de dood van Corrie Roossingh bij een voltreffer op Schoonoord waar zij hielp. Wij zijn diep ontroerd. Van onze vele bekenden te Oosterbeek en van den H eer Meyer en zijn dochter weten zij niets. Er zijn veel burgers gedood en overal heerst grote ontzetting en ellende. Mevrouw Meyer, aan wie wij niets over haar zoon en kleindochter zeggen, wordt voorzichtig op de bakfiets gelegd en na ontroerend afscheid gaan de twee heldhaftige mannen de Italiaanseweg op naar Heelsum.
Direct na hun vertrek beleven wij de eerste luchtaanval op de stellingen van het Jagershuis en het huis zelf. Allen vliegen het huis binnen en de soldaten roepen ons toe onder onze matrassen te gaan liggen. De kanonnen en mitrailleurs voor het huis gaan geweldig te keer. Waskeuken en gangen zijn vol soldaten, wij met enkelen van hen op de grond er tussen; de bommen (kleine, van het type der splintergranaten) barsten overal in het rond, een paar op de daken en de mitrailleurkogels van de boordwapenen der duikende vliegmachines fluiten en gieren om het huis, het huis trilt en schokt, het lijkt een heksenketel. Het duurt ongeveer een half uur achter elkaar.
In het huis is niemand getroffen, het is alleen hier en daar beschadigd en een paar ruiten zijn gesprongen; op de weide zijn enkele gewonden.
Het blijkt dat direct op de aanval wederom een grote ravitailleringsvloot was overgekomen en haar waardevolle lading had uitgestrooid op dezelfde plaatsen waar eerst de bommen werden geworpen. De soldaten komen ons lachend allerlei lekkernijen brengen. Wij gaan kijken en zien honderden, parachutes in de uiterwaarden liggen en vele in de bomen hangen. Het is een festijn van kleuren, alles is aan deze zijde van de Rijn terecht gekomen en niets in Engelse handen. Overal zijn de Duitsers bezig de buit binnenste halen en korten tijd daarna komen reeds vrachtauto's het meeste ophalen.
 Andermaal komen soldaten rond Tous staan en praten vertrouwelijker nog dan te voren over gezin, beroep en oorlog. Zij betogen dat deze nog slechts gevoerd wordt om de Partij te redden; denk altijd het omgekeerde van hetgeen een S.S. officier zegt; wij moeten wel, maar we willen niet, we willen alleen dat het uit is, onmiddellijk. Enkelen tegelijk praten zoo, velen staan er bij, niemand spreekt tegen. De kinderen en ik gaan nogmaals het huis door om te zien of wij nog iets zouden kunnen doen voor de waarschijnlijk aanstaande vlucht, Wij bergen nog enkele dingen in de orgelkelder, maar moeten oppassen dat de Duitsers daarvan niets bemerken en wij maskeren het toegangsluik op afdoende wijze; zo blijven helaas vele boeken, waaronder onmisbare wetenschappelijke en mijn encyclopedie, in de zaal achter. Ook laten wij alle kasten openstaan of steken er sleutels op om beschadiging door openbreken te voorkomen. Wij staan-hulpeloos, want verdere maatregelen zijn eenvoudig niet te nemen. En wij geloven niet dat wij weggaan, zo sterk is onze hoop op behoud van huis en goed.
Dan sta ik diep bewogen alleen in de zaal: zou het toch waar kunnen worden, dit huis, deze zaal verloren? Het wonderlijke orgel, mijn mij zo inspirerende vleugel, de prachtige grammofoon-installatie, mijn bibliotheek met al die geliefde werken : maar voor alles: mijn eigen "schepping" van dit gaaf intérieur, waarin ik eens mijn gehele ziel legde, Heen, dat kan niet, wat dreigt is een boze nachtmerrie, gebruiken kan men mijn huis, beschadigen, plunderen desnoods, afnemen zou men mij het kunnen, maar verwoesten, zodat het weg is, zodat niemand er iets meer aan heeft, dat nooit!
Als het donker is en Helen reeds slaapt en wij bij een kaars naar onze matrassen gaan, wordt ik geroepen bij een Hauptmann aan de voordeur. Correct maar streng luidt het: uw huis vorder ik, u moet het onmiddellijk verlaten, want wij verwachten een aanval, u kunt morgenochtend alles komen halen wat u wenst, in uw huis zal niets onrechtmatigs gebeuren; laat mij nu even de lokaliteit zien, dan kunt u enige vertrekken afsluiten, tegelijk commandeert hij: binnentreden en twee andere officieren en een twintigtal militairen schuiven aaneengesloten het huis binnen. Ik ga met den Hauptmann rond en onze slaapkamer met annexen, alsmede de kinderslaapkamers en de zaal mag ik afsluiten; wat ik doe.
Tous, de meisjes en ik overleggen, zij zijn zeer angstig en willen niet trachten bij zulk een ernstige waarschuwing nog langer in huis te blijven.
Wij maken ons gereed naar de fam. van Nispen tot Pannerden te gaan (huize Jacoher 1,5 km langs de Italiaanseweg, de berg op). Wij besluiten alleen het hoognodige mee te nemen, het meeste van onze vluchtbagage en enige voedingsmiddelen, benevens elk een deken of een plaid. Mijn documentenkoffertje neem ik mee, maar mijn vluchtkoffertje dat ik niet mee kan dragen bij dit transport breng ik naar onze kleedkamer, waar het naast de massieve schoorsteen die er door loopt en afgesloten een veilige plaats krijgt.
Ik doe mijn winterjas aan en oude hoge tuinschoenen. Zo vluchten wij met ons zevenen en Flap onder Madeleine’s goede zorg, in het pikkedonker de Italiaanseweg op, vol beladen en twee wagentjes duwende, bang elk ogenblik in verraderlijk granaatvuur te geraken. Bij de familie van Nispen worden wij hartelijk opgenomen. Er logeren nog twee familieleden en wij treffen er nog drie andere vluchtelingen aan, Tous en Helen gaan slapen in het souterrain, waar ook één van de freules haar matras heeft liggen; de vier andere kinderen slapen in een deken op de grond in de salon en ik bij hen op een gemakkelijke stoel. Gedurende de nacht vluchten wij met ons allen driemaal naar het souterrain tengevolge van een hevige beschieting van de omgeving van het huis.  

Zondag 24 september
. Zondagmorgen willen wij naar het Jagershuis, maar er wordt zó geschoten dat wij er niet toe kunnen komen; ook ‘s middags moeten wij aldoor in huis blijven totdat het tegen een uur of vijf rustig begint te worden. Wij gaan dan allen met de twee wagentjes op weg. Op de Italiaanseweg liggen overal takken die van de bomen zijn afgerukt en boven, bij de ingang van het Berghuis, ligt een ontwortelde eik. Wij willen geen tijd verliezen, om naar het Berghuis te kijken, maar zien geen soldaten achter de vernielde ingang. Nadat wij nog een eindje doorlopen worden wij door soldaten tegengehouden die ons sterk ontladen verder te gaan. Ik ga daarom alleen met het kleine wagentje de Italiaanseweg af.
Telkens zie ik groepjes soldaten die zich hebben ingegraven en daarbij onze stoelen en beddengoed en ook een Perzisch kleedje hebben gebruikt. Zij kijken zeer verwonderd, maar er zijn er die mij herkennen, zodat ik verder kan gaan. Om en in het Jagershuis tref ik een ongelooflijke bende aan: alle ruiten gebroken, behalve waar luiken zijn, overal het beddegoed verspreid, Perzische kleedjes voor de ramen, enkele dwars doorgesneden en tussen de rommel en scherven wel een honderd etende of slapende soldaten.
Ik loop ineens door naar de zaal: de zaalgang een ruïne, de zaaldeur nog gesloten, maar bij binnenkomen sta ik onder een gapend gat in tongewelf en dak - een voltreffer. Scherven zijn door het orgelfront -gevlogen - wat is daar binnen gebeurd? - de grote spiegelruiten en glas-in-loodramen zijn alle verbrijzeld. Ik kijk angstig in het rond en ga maar gauw weer weg, er schijnt niemand geweest te zijn.
Dan naar de slaapkamer, want eerst wil ik mijn vluchtkoffertje en nog wat ondergoed redden. De deur, die ik op slot deed, staat open en ik zie dat alles overhoop is gehaald: de ledikanten met de mooie zijden dekbedden en dekens leeg, de toilettafel en grote toiletkast open en de inhoud grotendeels verdwenen. Ik loop door naar het kleedkamertje: mijn vluchtkoffer weg, mijn pakkenkast leeg, linnengoed volkomen verdwenen. Tous linnenkast binnenste buiten gekeerd en op de grond een hoop restanten en vuile soldatenwas.
Ik sta ontsteld. Mijn eerst benodigd vluchtmateriaal gestolen en niets meer over van mijn zo verzorgde voorraad wollen ondergoed, zelfs mijn zijden overhemden, zijden sokken, zomer- en smokingvesten verdwenen en o, schrik, mijn geheime voorraad in een onzichtbare ruimte naast de beide ingebouwde linnenkasten, ontdekt: weg twee extra stel nieuw Jaegerondergoed, weg extra zeepvoorraad, weg ook de voor Tous als verrassing achtergehouden 5 pond koffie, 3 pond thee en 3 pond cacao en nog enige zaken. En dat alles ondanks de ongevraagd gegeven verzekering van den Hauptmann!
Ik pak mee wat ik in de hoop rommel op de grond vind, een versleten jaegerbroek en een versleten overhemd, die voor herstelgoed moesten dienen, enige dassen en twee paar oude sokken. Dat nu ook mijn vier paar dikke wollen slaapsokken weg zijn en - ik constateer het nu ineens, mijn doosje met diverse manchetknopen, waaronder die van mijn vader en een paar heel mooie gouden en ook de kleine paarlen overhemdknoopjes, In de hoop op de vloer vind ik ook onze Nederlandse vlag die ik al klaar had gelegd in de lade van mijn kast; ook die vlag neem ik mee. De met een gordijn gesloten kast waar mijn dagelijks in gebruik zijnde pakken hangen is volkomen leeg: weg dus. Terug in de slaapkamer kijk ik nog even naar de toilettafel van Tous, waaruit alle laatjes zijn getrokken; veel bijzonders was er niet in, maar wat er was is weg, o,a, de ledige etuis die eens sieraden bevatten, die nu elders zijn geborgen. De grote toilet- en medicijnkast is geheel overhoop gehaald: alle toilet- en sunlightzeep (extra duur opgedane voorraad) is verdwenen; ook alle gewone zaken, waaronder mijn scheermesjes en twee flesjes 4711; van-de vele medicijnen zijn alle vitamines, asperine, superol, e.d, weg, de rest ligt door elkander, de goed verzorgde verbandtrommels zijn ook weg, In de badkamer is het een vieze rommel; men heeft zich er ook geschoren en mijn scheerapparaat is verdwenen (dat is het tweede, want mijn reserve exemplaar bevond zich in de reisnecessaire in mijn vluchtkoffer), Maar het kost te veel tijd, nog een blik in Helen's kamertje is voldoende-om te constateren dat de gehele inhoud poppen, kleertjes enz, tussen scherven van een verbrijzelde wand op de vloer ligt.
Ik zoek den Hauptmann. Hij zit aan Tous bureau met de parkietenkooi uit de kinderkamer er op; hij ziet er ernstig maar niet nors uit. Ik beklaag mij beleefd en verwonderd. Zijn mannen hebben zich niet misdragen, hij staat er voor in; er kwamen zoveel anderen in huis vannacht. Ik zeg niets meer. Een der bij hem staande officieren zegt dat hij kunstcriticus is en dat hij zeer begaan is met het lot van mijn prachtig huis. Hij vraagt den Hauptmann of de triptiek uit de eetkamer niet kan. worden weggenomen, deze zegt dat men het mogelijke zal doen, maar dat het leven van geen zijner soldaten mag worden gewaagd. Ik vraag, breng het stuk naar de garage, daar staat het althans beter dan hier aan de voorzijde van het huis. Wij zullen zien, belooft de Hauptmann. Nu naar de vestiaire en garderobe. Een nieuwe schrik: alles verdwenen, Tous grote en kleine bontmantel, mijn bontjas, Tous vele andere mantels, mijn jassen, capes; alle schoenen van Tous en mij (behalve van mij een paar dunne binnenschoenen, die ik haastig meeneem) tot zelfs al mijn hoeden en Tous vilthoeden, Tous' garderobekast lijkt ongeschonden, maar mijn garderobekast is leeg op een oud en een heel dun zomerpak na. Ik zie een officier en kan mijn ergernis niet verbergen. Wij hadden vannacht 35 gewonden hier in huis, zegt hij en die dekten wij toe. Wij blijven tot den laatsten man, voegt hij er aan toe en meteen zie ik een hakenkruisvlag op zij van de voordeur hangen.
Wat zou er nog te redden zijn? Dekens en het huishoudlinnen? De dekens zijn alle in gebruik bij de soldaten, tot de zijden dekbedden toe; de huishoud linnenkasten zijn geblokkeerd door de matrassen, daar is nu geen bijkomen aan en de grote voorraad dekens en linnengoed uit Saig werd grotendeels geborgen in de tussenruimten van de logeerkamers boven de garage, zodat ook daar nu niets voor ons is weg te halen. Later hoop ik.
Dan naar de keuken en de kelder. Vol etende soldaten; zij eten onze kasten leeg, de inhoud staat verspreid op tafel en aanrecht, In de kelder slapen vier soldaten zij bewegen niet. Er is geen wanorde, de weck lokt in prachtige rijen op de marmerplaten, maar de wijn is verdwenen. Er was niet veel, een tiental flessen slechte Bordeau-wijn, er zijn nog twee flessen; maar teleurstellend is dat. Mijn enige fles Champagne en enige twee flessen heerlijke Bourgogne, die ik achter mineraalwaterflessen had weggestopt, om te dienen als ons Land vrij zal zijn, ook weg zijn.
In de hal zie ik een van onze mooiste Perzische kleedjes keurig opgerold met een touwtje erom liggen. Ik neem het mee. Nog even naar de kinderafdeling, die ook afgesloten mocht worden, maar waaruit reeds de parkieten naar de bureau van den Hauptmann verhuisden. De bedden blijken leeggehaald, maar de kleerkasten, de speelgoedkasten en het torenkamertje zijn ongeschonden; zelfs de enorme voorraad eigengemaakte jams en confituren staat onaangeroerd.
In de logeerkamers liggen slapende soldaten, en de garage doorlopend zie ik dat men bezig is die in te richten als hulplazaret.
Een onderofficier komt mij vriendelijk zeggen dat ik moet maken dat ik wegkom, want er zal weldra worden geschoten, Terwijl ik bezig ben de overige zaken die ik oppakte op mijn wagentje te laden hoor ik de granaten al fluiten en vrij dicht bij inslaan. Ik haast mij en loop met een soldaat de Italiaanseweg op als er op ongeveer 20 meter afstand een granaat tegen een van de zware beuken vliegt. Wij laten ons beiden in een diepe greppel vallen en horen de scherven vliegen en zien een zware tak afrukken. De volgende granaten slaan lager in en naar het schijnt wordt de benedenweg onder vuur gelegd. Ik voel mij erg zenuwachtig, vlieg met mijn wagentje de weg op tot bij de grote draai en ga dan in een geheel droge diepe regenput zitten om wat bij te komen. Wanneer ik nu dwars het hakhout doorga tot boven bij Eikenhof en de bocht van de Italiaanseweg laat liggen, dan ben ik althans op het ogenblik buiten het vuur.
Maar het kan onverwacht van richting veranderen. Ik haast mij dus en kan na vijf minuten trekken en duwen het wagentje niet meer de helling op krijgen. Mijn hart bonst vreselijk en mijn tong hangt mijn mond uit, maar ik wil het geredde goed - wat is het eigenlijk bedenk ik later - niet prijs geven en ga daarom in het hakhout zitten. Ik hoor de granaatinslagen steeds onderlangs, maar het is alsof zij naderbij komen. Weer op weg, en eindelijk bereik ik geheel uitgeput "Eikenhof", waar de dokter mij verkwikt. Ik blijf den gehelen dag van streek ofschoon mijn hart zich spoedig herstelt; de emoties bij het zien der verschrikkingen bij het Jagershuis waren dan ook wel heel groot, maar de martelingen zijn niet ten einde: het huis staat en leeft en wij zitten er vlak bij.

Maandagochtend 25 september. Als na een andermaal bewogen nacht, de gevechtspauze bij het aanbreken van den dag intreedt, ga ik met Herman en het wagentje weer vroeg op pad. Ik wil de zaal beter aanzien, de triptiek z.m, doen verplaatsen, ik wil zien of onze 30 pond ingelegde boter, waaraan ik gisteren niet gedacht heb, nog in de kolder zijn en ik wil verder jams uit de ongeschonden kast halen, en Herman had ook enkele dingen op het oog. Bij den ingang bij het Berghuis gekomen, bleek de weg van de ontwortelde boom vrijgemaakt. Herman keek even naar het Berghuis: alle ruiten verbrijzeld, verder niets van buiten te zien, van binnen bleef een open vraag. Wij durven niet over ons terrein gaan, op de Italiaanseweg is alles rustig, weinig soldaten. Bij de garage gekomen blijkt dat onze auto er uit is gezet en dat men een grote houtstapel heeft opgericht tegen het ene stel grote deuren; van binnen is de garage opgeruimd en met het sloydlokaal tot hulplazaret gemaakt. Er liggen twee mensen en er lopen enige soldaten. Men zegt niets en wij gaan naar binnen.
Het huis doorlopend zie ik hetzelfde als gisteren, maar de vestiaire heeft een voltreffer gehad en in de eetkamer zijn nu ook de ruiten achter de luiken gesprongen.
De triptiek hangt er nog. Ik informeer naar de officieren; ze zijn op de weide; een onderofficier zegt dat de triptiek wel niet verplaatst zal worden. In de zaal constateer ik dat men er nu wel geweest is; ik mis een paar Perzische kleedjes en rol er een op die ik in een hoek leg. Er liggen veel meer puin en glasscherven op de vloer dan gisteren; het is niet uit te maken of de scherven die door het orgelfront zijn geslagen weinig of veel schade hebben aangericht, want ik kan het trapje niet laten zakken zonder risico dat de bezetting de toegang bemerkt. In de kelder gekomen blijkt dat de 30 pond ingelegde boter is verdwenen, Niet door ons, zegt de onderofficier-die in de keuken zit te typen. Ik neem de resterende twee flessen wijn en twee flessen mineraalwater mee.
Herman gaat naar de kinderafdeling. en ik wil trachten nog een officier te spreken over de triptiek. Buiten gekomen treft mij de gehavende aanblik van het huis: erbarmelijk.
Ik mag niet buiten blijven en ga naar Herman die nog al wat van zijn gading heeft gevonden, ook jam uit de nog ongeschonden voorraad. Ik neem ook mijn oude pak mee dat ik gisteren zag hangen. Wij laden alles op en gaan over ons terrein terug, waar wij ons niet erg gerust gevoelen en druk praten teneinde ook op een afstand te worden opgemerkt. Er wordt alleen in de verte geschoten.
Bij Eikenhof spreken wij den dokter, die in tegenstelling met mijn inzicht, zeer optimistisch over den toestand blijft oordelen. Verder op den dag gaan Tous, Wonne, Madelein en Herman naar het Jagershuis; Theo heeft last van astma, maar knutselt thuis met batterijen van Engelse parachutes, vernuftige noodverlichting. Zij nemen de twee wagentjes mee en komen met nog al wat kinderkleren terug, alsook met jam en blikken kaakjes, en zelfs met de parkietenkooi; het jonge poesje is meegelopen. Uit Tous linnenkast was niets meer te redden geweest en Tous japonnenkast bleek allerminst, zoals ik dacht, ongeschonden: de wollen jurken waren verdwenen, maar zij hoopt bij een volgend bezoek toch nog iets voor haar zelf te kunnen redden, Tous brengt mijn heel dunne zomerpak mee dat ook ik in mijn garderobe nog had zien hangen. Haar trouwring en zegelring, die zij in een bakje in de badkamer had laten liggen waren nergens meer te vinden geweest. Tous is zeer ontdaan over hetgeen zij in het Jagersbuis gezien heeft, maar zij bleef er te kort om zich van alles goed rekenschap te kannen geven. Tegen de avond wordt het granaatvuur weer zeer hevig en op Huize Jacoher besluiten wij allen bet souterrain te betrekken. De nacht is luguber; enige malen verzamelen zich alle bewoners van de zijvertrekken of uitbouwen van het souterrain in het veiliger middelste gedeelte. De granaten springen vlak bij het huis en den volgenden ochtend is in de tuin rondom een ware ravage aangericht. Het huis zelf vertoont slechts gesprongen ruiten en van de muren afgesprongen kleine stukken.

Dinsdag 26 september is de toestand zo dreigend dat wij ons niet naar het Jagershuis wagen. Eikenhof en het tegen overgelegen verlaten Woudlust hebben erg geleden. Zou het huis Jacoher moeten worden verlaten?
Over onze belevingen op Jacoher zal ik verder nog wat schrijven, hier vervolg ik eerst het nauwkeurig relaas regelrecht aansluitend bij het gebeuren op het Jagershuis.

Woensdagochtend 27 september bij de gevechtspauze, ga ik met Herman en het wagentje andermaal op onderzoek uit. Ik wil de 50 pond suiker redden, die als restant van de 200 pond waarmee Tous de grote voorraad jam maakte nu er van de winter allicht boternood zou zijn, in een holte achter mijn bureau waren weggestopt. Bij huis zie ik al dadelijk dat nieuwe verwoestingen zijn aangericht. De pomp is getroffen en de tralies van het hondenhok liggen geheel gekronkeld in elkaar, in de muur gaapt een groot gat; uit de toren is een brok op een der hoeken gevlogen; de centrale verwarming is ergens getroffen, waardoor de beneden vertrekken vol roestwater staan en in de waskeuken de matrassen drijfnat zijn. De huishoudlinnenkasten zijn nu ook leeg.
 Ik kijk even in de keuken en de kelder: stampvol, in de kelder - is niet te komen, hij ligt vol slapende soldaten, tot op de trap. In de zaal ligt wederom meer puin op de vloer. De 50 pond suiker staan er nog en ik haal ze behoedzaam voor den dag en zet ze gereed in de poef om ze gemakkelijk te kunnen meenemen. Verder in huis constateer ik dat nu-alles systematisch is en wordt leeggehaald: buffet, dressoir, commodes en andere kasten beneden. Ik graai een aangebroken pakje thee mee en red een kaasje dat ik onlangs voor de hand had gelegd en ontdek in een van de commodes onze grote verbandtrommel en enig tafelzilver. Ik neem alles ineens mee. Dan vlieg ik naar boven naar de grote voorraad jam en conserven, die gisteren nog onaangeroerd was: verdwenen, totaal, Herman, die in de kinderkamer bezig is schrikt. Hij gaat het torentrapje op: ook alles weg, roept hij.
Wij kunnen eigenlijk niets meer redden en ik ga naar de zaal terug voor de suiker, In de hall kom ik de hoofdofficier die wij al eens op inspectie buitenshuis aantroffen en die toen aan Tous gezegd had dat wij wel in huis konden blijven tegen, vergezeld van twee officieren, later verneem ik dat de Hauptmann ernstig gewond werd. De hoofdofficier zegt mij dat ik niet langer kan blijven komen, ik mag zelfs niet doorlopen naar de zaal en kan met Herman alleen de paar dingen meenemen die wij bij ons droegen en die Herman boven klaarzette.
Op den terugweg, zekerheidshalve thans weder over de Italiaanseweg, lopen wij even bij Eikenhof aan. De dokter vertelt van een mislukte poging der Duitsers bij het Drielse veer over de Rijn te komen, waarbij zware verliezen werden geleden; verder dat niet de Engelsen maar de Duitsers langzaam aan werden omsingeld. Ik neem zijn verhaal over de insluiting heel sceptisch op, want uit hetgeen men verder hoort en ziet is slechts op te maken dat de Duitsers de gehele rechter Rijnoever en ook geheel Arnhem in handen hebben en de Engelsen meer en meer in de Betuwe worden teruggedreven.
Op Jacoher komen wij dien dag meer nog dan te voren in contact met militairen en daardoor wordt onze indruk bevestigd. Tous en de kinderen doen nog een tocht naar het Jagershuis. Zij krijgen daar te horen dat de toegang verboden is, maar hebben toch nog kans enige kinderkleren en jurken van Tous mee te nemen, terwijl zij verder twee bakken drinkwater uit de slecht werkende pomp meebrengen. Zij zijn verontwaardigd dat ook de vijf kinderspaarpotten verdwenen zijn. Later denkt Tous ineens aan de kinderfilms in de keuken-kelder: die had zij, zo ze er nog waren, stellig kunnen redden. Haar filmopname-toestel in de klep van haar bureau is -"natuurlijk" gestolen, maar daarna omgekeken heeft zij niet.

Donderdagochtend 28 september wil ik alleen nog een poging doen in huis te komen.
En dit lukt ook. Maar nauwelijks ben ik in de eetkamer, die nu geheel is verlaten en waar een grote ravage heerst, maar de triptiek nog ongeschonden hangt, of een officier komt op mij toe: neen, het gaat niet meer, ik heb bevel streng op te treden en er is constant gevaar ook. Even iets uit de kelder halen (kinderfilms): Neen, werkelijk neen. Ik kijk door het eetkamerraam en zie dwars door de voorzijde van de zaal een gevaarte uitsteken; ik kan het niet goed onderscheiden, is het de orgelspeeltafel, een nieuwe voltreffer denk ik; dan zie ik ook dat er veel licht valt in de hal van boven, vermoedelijk eveneens een voltreffer. Ik blijf aarzelen, maar dan dringt mij de officier met zijn handen in de lucht het huis uit. De garage mag ik niet door (veel gewonden?), gauw buitenom, pas op de weg ligt onder vuur (ik bemerk er niets van), hardlopen. Hij begeleidt mij tot ver achter de garage en zegt dan: verschrikkelijk, de oorlog - niet meer terugkomen, want de soldaten schieten op elke burger.
Ik ga de Italiaanseweg langs, zie veel meer dan tevoren ingegraven soldaten. Zij kijken, en een onderofficier roept mij iets toe over mijn huis. En dan naderbij komend versta ik dat hij zegt dat het er aangaat. Zonder te letten op gevaar - dat er in directen zin wel niet geweest zal zijn - kom ik bij Eikenhof. Ik ga niet naar binnen en loop haastig door naar Jacoher omdat ik vliegers hoor aankomen. Nauwelijks daar aangekomen, of de machines duiken en grazen met hun boordwapens de wegen bij het kruispunt af. Zo eindigden onze bezoeken aan het Jagershuis, Ik gevoel mij geheel verslagen en ik kruip in het hol van Tous en Helen in Jacoher’'s souterrain, om mijn moede leden wat uit te strekken, maar slapen kan ik niet — ik geloof nu wel aan de ondergang van mijn huis.
Nog dezelfden dag horen wij dat het vuur van de overzijde van de Rijn en uit de lucht zich herhaaldelijk concentreert op de omgeving van het Jagershuis.

Vrijdag 29 september zegt mij de artilleriewaarnemer die op Eikenhof zit, dat van mijn huis wel niet veel meer zal over zijn. Zaterdag vertelt een andere onderofficier, die met enige mannen op de Italiaanseweg voorbij komt, dat de toren verdwenen en het huis helemaal "doorzeefd" met voltreffers, verlaten is en dan: Maandag 2 Oktober, zien wij achter de heuvel waar ons huis ligt, een grote brand en weldra volgt van Eikenhof de bevestiging: afgebrand. Dinsdag 3 oktober horen wij van militairen die er thuis waren, dat het door de Engelsen herhaaldelijk was beschoten en dat wat er nog stond eindelijk volkomen verbrand is.
En allengs dragen ook de gebeurtenissen op "Jacoher" een steeds ernstiger karakter.
Het huis wordt bewoond door de familie Van Nispen tot Pannerden. Thans, als wij er onderdak vinden zijn daar aanwezig de Heer en Vrouw des Huizes, de oudste zoon, die als glazenier een mooi atelier in de tuin heeft en de twee dochters, die in hoofdzaak de zorgen voor het huishouden hebben; tijdelijk vertoeven er een oude neef van den Heer van Nispen, getrouwd met diens schoonzuster, grootvader van Frans van Nispen die met Wonne op het, gymnasium gaat. Verder is er een oud echtpaar als huisbewaarders en zijn er gevlucht de assistent van den glazenier en een meneer en mevrouw die uit een brandend pension te Oosterbeek aan het zwerven zijn geraakt en op Jacoher binnen kwamen.
De familie van Nispen is katholiek en dat drukt het stempel ook op het dagelijks leven. Haar huis is gewijd aan het Heilige Hart. De Heer des Huizes heeft ter bezegeling van het vertrouwen op behoeding voor het oorlogsgeweld, het Christusbeeld van het Heilige Hart in het trappenwerk van het huis geplaatst en in het souterrain staat een klein beeldje van het Heilige Hart, waarbij steeds een gewijd kaarsje brandt. Wanneer onder het hevig kanonvuur en de bommen de gezamenlijke gebeden vuriger das ooit ten hemel worden gericht, dan kunnen wij niet anders dan sympathie gevoelen voor deze goed-katholieken, wier religieuze beleving ons nochtans zo verre ligt.
Het huis Jacoher is gelegen bij het kruispunt van de Italiaanseweg en de Oude Oosterbeekseweg, van welk kruispunt nog een nieuwe weg door het z.g. Park Doorwerth aftakt. Het is een vierkant vrii groot huis, gebouwd door een vroegeren eigenaar van de Duno en draagt hetzelfde weinig fraaie karakter van al de huizen waarmede die Heer de Duno eens verrijkte. Het bevat vele mooie antieke meubelen en kostbare schilderijen. Aanvankelijk bewonen wij de salon en vluchten wij met de andere bewoners alleen als er direct gevaar is naar het souterrain, maar weldra betrekken alle bewoners dag en nacht het souterrain, zij het dat met tussenpozen de bovengelegen kamers of de buitenlucht wordt opgezocht. Het souterrain is luchtig en ruim; luchtig, daar het van alle kanten doortocht, ruim, wijl het gebouwd is rond een middendeel van ongeveer 8 bij 6 meter, waarop de grote keuken en een paar kleine kamers met flinke vensters uitkomen als ook verscheiden grote bergruimten en ook een kluis.
Het gehele souterrain heeft een stenen vloer en-een streeksgewijze gewelfde afdekking van solide constructie. Men zou zich er veilig kunnen voelen, althans bij de strijdmiddelen waarmede wij tot dusver kennis hebben gemaakt, ware het niet dat tegen een zijde van het huis onder een afdak, hooi, stro en hout is opgestapeld en dat zich in een der bergplaatsen die met een venster in de tuin uitkomt, veel droog hout bevindt, voorraden, die bij een voltreffer welke op zichzelf daar geen gevaar behoefde op te leveren, stellig in brand zouden geraken. Maar daaraan is nu niets meer te veranderen, Gevaarlijke ramen, waardoor scherven naar binnen zouden kunnen vliegen, worden zo goed en zo kwaad als het gaat enigszins gemaskeerd.
Het huis heeft geen electrische stroom, gas- en watervoorziening meer; de centrale verwarming staat al jaren buitengebruik en de noodkachels zijn nog niet geplaatst. De watervoorziening baart grote zorg; wel is er nog water in bad, bakken en kannen aanwezig, maar het zal voortaan moeten worden gehaald uit een regenbak bij een verlaten huisje in de buurt en dan gekookt, wellicht ook helemaal aan de welpomp van het Jagershuis, Behalve het middendeel van het souterrain dat wij feitelijk allen gebruiken, bewoont de familie van-Nispen nu voortaan ook de keuken en wij ook wel een zijkamertje, terwijl de huisbewaarders steeds hun eigen zijkamer in gebruik houden. Vluchten en slapen doen wij allemaal in het middendeel voorzover niet sommigen zich in andere zijvertrekken wagen. Tous en Helen hebben een heerlijk hol, het is een donkere bergplaats van 2,5 - 1,5 meter, onafgesloten uitkomend op het middendeel en waarvan de vloer bedekt is met een matras en dekens. De vier kinderen hebben naast de toegangstrap een open ruimte waarin zij in bepaalde volgorde passen en waar Flap bij inschuift; ik een gemakkelijke stoel uit de bovenhal die ik 's nachts met een kleine stoel voor mijn voeten tot een rustplaats kan maken. De overige bewoners delen het middendeel, sommigen op matrassen, anderen op aan elkaar geschoven gemakkelijke stoelen, maar de zoon des huizes en de jongste dochter geven de voorkeur aan een zijkamertje, vanwaar uit zij bij gevaar gemakkelijk naar het middendeel kunnen vluchten.
De oudste dochter bewoont het booggewelf van de kluisdeur, maar later als er meer vluchtelingen de nacht in de gewelven van Jacoher komen doorbrengen, vouwt zij zich sierlijk op voor het hol van Tous en Helen. Theo kruipt door zijn astma wel eens in het hol bij Mamma en later verhuist hij met Wonne en Madeleine naar de keuken. Er vindt trouwens telkens hergroepering plaats want de nachten zijn, in het bijzonder ook voor de ouden-van-dagen, hoezeer zij zich ook te schikken weten, een grote bezoeking.
Is het verblijf in het middendeel van het souterrain 's nachts nog uit te houden, dank zij de vele beschikbaar gestelde dekens, gedurende de dag is het dat niet, want dan wordt er gelucht en opgeruimd en is er een constant heen- en weergeloop, zodat het er vreselijk tocht, en het er door gebrek aan invallend daglicht koud, vochtig en donker is. Alleen in Tous en Helens volkomen donkere hol is het dan met dikke jassen aan onder de dekens nog
wel dragelijk.
Wij zijn er zo veel mogelijk op bedacht niet ziek te worden en ik waak er angstvallig voor dat Helen warm blijft; zelf doe ik mijn winterjas en wollen vest nooit uit, tenzij even in de zon bij luchthappen of bij een expeditie naar het Jagershuis en laat mij voor de nacht door de kinderen bovendien in een grote gestikte deken en met onze zwaarste plaid instoppen. Gelukkig blijven wij op Jacoher allen gezond (alleen Theo heeft nog al last van astma) en neemt mijn reumatiek niet toe. Na enige dagen vertrekken de assistent glazenier en de binnen gevluchte meneer en mevrouw; zij lopen na overleg tijdens een gevechtspauze naar Heelsum. Wij blijven zolang Jacoher bewoonbaar is en het Jagershuis leeft. Dan komen er 's nachts. een familie, van drie en een familie van vier personen schuilen. Van de eerste is het nabijgelegen huis door brand verwoest, behalve de kelderruimten waar men op de dag kan verblijven; van de tweede biedt het huisje, dat op de dag bewoonbaar maar geenszins ongevaarlijk is (het krijgt later-een voltreffer in de dak verdieping), 's nachts te weinig veiligheid, Maar eindelijk trekken ook deze zeven mensen verder, eerstgenoemde familie zelfs naar het heet met een auto naar Rotterdam, hetgeen voor hen mogelijk schijnt te zijn door een bijzondere Duitse relatie.
Meer en meer zijn wij met de families van Nispen ook de keuken gaan delen en de hartelijkheid en de vele gesprekken zullen ons steeds bijblijven. Wij hopen een bescheiden indruk te hebben gemaakt hetgeen niet gemakkelijk is bij zoveel geboden gastvrijheid.
Stellig mogen wij ons gelukkig prijzen zoveel lof over onze. vijf kinderen te horen, die zich - wij mogen het zelf zeggen - voorbeeldig gedragen.
Tegen de hier in het kort geschilderde achtergrond speelden zich de gebeurtenissen af.
Voor zover die regelrecht het Jagershuis in zich betrokken, zijn zij hier voren beschreven, voor het overige zij, zonder daarbij de indeling in dagen te volgen, alleen het volgende aangestipt.
Er lag een dode Duitse soldaat op de Italiaanseweg, (langs die weg werden meer malen doden aangetroffen) dicht bij het ingangshek van Jacoher. Het lijk toonde al tekenen van ontbinding maar mocht ondanks herhaald verzoek van den Heer van Nispen, niet worden begraven. Het was een akelige geschiedenis geweest: al gauw na de luchtlandingen vertoonden zich bij Jacoher de eerste Engelsen (tot aan het Jagershuis kwamen zij nimmer) en toen de Heer van Nispen bij zijn overbuurman was (voormalig huis van de familie van Zanten Jut), trof hij daar nog Engelsen in huis aan als de Duitsers kwamen aanzetten. Eer dat men begreep wat er gebeurde werd er op twee Duitsers, die op een motorfiets met zijspan voorbijkwamen, geschoten; de man op de motorfiets kreeg een schot in het achterhoofd en was onmiddellijk dood. Later beweerden de Duitsers dat hij door burgers uit het huis was neergeschoten en zo kwam dezelfde onderofficier die mij had beschuldigd radioseinen te geven, op Jacoher met een verdenking gericht tegen den Heer van Nispen, Hij was vergezeld van een van de mannen van de tank die bij het Jagershuis was blijven steken, een-wat vermakelijk type, met wien wij nog al veel hadden gepraat.
Toen zij ons zagen was hun houding correct en de Heer van Nispen had alle gelegenheid te vertellen op welk een wijze de Duitse soldaat gedood was. Nu mocht hij begraven worden. De twee militairen knapten het even op een kuil aan de weg, een kruisje van twee plankjes er op en op het kruisje een bordje met datum en naam; de laatste was niet goed leesbaar geweest, geeft niet.
Enige dagen later werd het lijk weer opgegraven en getransporteerd naar een soldatenkerkhof.
De man van de tank kwam praten en zei dat de onderofficier mij nooit werkelijk verdacht had. Dat waren zo zijn manieren. Hij had er veel plezier in en vertelde dat de onderofficier veel succes gehad had op de Duno. Daar was bij den Hotelier (De Graaff) in zijn woonhuis een radiotoestel ontdekt; de hotelier had een Engelse vrouw en die had natuurlijk seinen uitgezonden. Gelukkig, zei de man van de tank, hadden hij en zijn vrouw kunnen vluchten, maar de huisraad was kort en kleingeslagen en het huis in brand gestoken. De 800 flessen wijn (wij wisten dat er veel wijn uit het hotel in veiligheid was gebracht) hadden zich de jongens best doen smaken. Inderdaad hadden zij reeds dronken soldaten aangetroffen.
De onderofficier kwam er zuurzoet bijstaan en zei dat wij verstandig zouden doen hier weg te gaan, want de gevaren zouden steeds groter worden. Wij zeiden niet weg te willen met het oog op het Jagershuis. Hij haalde zijn schouders op: het huis is grotendeels verwoest en gaat zeker helemaal kapot. Ook dit huis (Jacoher) gaat er zeker aan. Beide mannen spraken met elkaar en kwamen toen zeggen dat zij misschien wel kans zouden zien ons met een auto op te halen en ergens heen, buiten de directe gevaren te brengen. Ik deed niet erg enthousiast, want het flitste door mij heen dat zij wel eens niet te vertrouwen konden zijn. De Heer wil niet, lachte de tankman, zijn huis is hem liever dan het leven, waarop ik vroeg of zij in de buurt bleven, hetgeen zij bevestigden, laten wij dan zien, zei ik: uw vriendelijke bedoeling waarderen wij zeer. Goed, zeiden ze - maar wij zagen ze nooit meer.
Herhaaldelijk hadden wij contact met Duitse militairen. Aanvankelijk gebeurde dat onder de gevechtspauzes of als het granaatvuur veraf lag. Het waren vaak soldaten, die ons uit het Jagershuis bekend waren en ons dan toeriepen dat het huis er nog stond, dan weer waren het soldaten die voorbij trokken en zich verwondellen, burgers aan te treffen. Ook kwamen er officieren langs, die in hun kleine auto.'s - er waren er bij die op de Engelsen werden buit gemaakt - de weg vroegen; zij waren beleefd en hadden altijd een vriendelijk woord. Maar eenmaal zei mij een hooggeplaatst officier, die met twee officieren in een mooie niet gecamoufleerde auto reed: u mag hier niet blijven, uw huis ligt in de vuurlinie en toen ik met een enkel woord de situatie duidelijk maakte: wat wilt u, bij ons in Duitsland is het nog veel erger door de terreur aanvallen - en meteen gaf hij vol gas. Is het dat niet waardoor zij allen geleid worden, is die correctheid niet een dekmantel? Wat anders te denken van het gegeven woord op het Jagershuis, dezelfde nacht nog op meest ergerlijke wijze geschonden! Maar aan den anderen kant: is het niet begrijpelijk ook, als reactie op de vreselijke verwoestingen in Duitsland. Zouden de Engelsen anders doen? Hoe dat ook zij, ik memoreer, hier correctheid - ook al is die alleen vorm ~ en barbaarsheid - ook al zou die als een algemeen oorlogsverschijnsel moeten worden gevoeld.
Heel vervelend waren de praatjes binnenshuis als daar soldaten kwamen schuilen voor hot granaatvuur of voor de aanvallen uit de lucht. Zij bleven dan meestal lang hangen en gaven blijk van de ons reeds uit het Jagershuis overbekende inzichten, waarop wij niet serieus konden ingaan. Het waren in het algemeen stille en goedmoedige mensen en wij troffen er niet één aan of hij stond vijandig tegenover de S.S. Slechts een enkele had nog enige verwachting van het nieuwe wapen. Toen het eens hard regende smaalden zij in koor: dat is het nieuwe wapen. Een ander maal waren er twee Rijksduitsers die vloeiend Nederlands spraken en eerst sinds enige maanden onder de wapenen waren. Zij verkondigden met geestdrift nationaal socialistische theorieën, maar de Joden had men met rust moeten laten. Toen zij goed op dreef waren begonnen ze onze Koningin te vergelijken met de vroegere Koningin Astrid van België, die zij in tegenstelling met onze Koningin hoog hielden.
De Heer van Nispen, die een deel van het gesprek had gevolgd, kon het niet langer aanhoren, maar waar het onverstandig geweest zou zijn de mannen te laten staan, wees ik hen met een draai op de grote gastvrijheid die zij hier te lande toch zoveel jaren genoten hadden. Daarvoor toonden zij zich ineens gevoelig.
Ze waren helemaal niet tegen Nederland. De oorlog zou worden verloren, maar de vrede gewonnen, de Idee sterft niet. Enkele malen spraken wij met S.S.-onderofficieren. Zonder uitzondering heette het dat de Tommy meer en meer werd ingesloten, dat hij over de Rijn was teruggeworpen, weldra dat de Duitsers al over de Rijn stonden en dat de resten van het landingsleger werden opgeruimd. Maar er was er één die zei dat het slechts ophouden. Van de Engelsen was, want het zou niet lang meer duren of de Duitsers moesten toch Holland verlaten. Duitsland zelf echter zou niet worden betreden. Ook het optreden van de S.S. onderofficieren was steeds correct, maar er lag toch iets irriterends in hun houding en wij namen ons wel extra in acht.
De gevechtspauzes en tijden dat het granaatvuur ver af lag, waren zeer bedrieglijk. Het was goed dat steeds te bedenken want men wordt met het gevaar vertrouwd, en de duur der gevechtspauzes en in het bijzonder de richting van het kanonvuur, is voor den oningewijde van onberekenbare factoren afhankelijk. Het was merkwaardig te constateren dat de verspreiding van het granaatvuur steeds een regelmatig verloop volgde. Wegen, of een bepaald gedeelte van een terrein, werden als het ware afgegraasd, kruispunten en omgeving bleven onder vuur liggen, maar nimmer word van de ene plek naar de andere plek gesprongen, zodat het gevaar van vergissing nauwelijks bestond, zij het dan dat men nooit wist dat van doel veranderd werd en toch altijd een onberekenbaar heen en weerspringen mogelijk bleef. Het gevaar uit de lucht was verraderlijker dan men zou denken, want de vliegtuigen kwamen soms plotseling te voorschijn en doken heel onverwacht om met hun boordwapenen grote stroken van wegen en belendingen waaiervormig te beschieten, In onze zone strekte het uit de Veluwe komende granaatvuur zich uit van het Heveadorp tot het oude Doorwerth, met een diepte tot enige honderden meters over de Oude Oosterbeekseweg. De Utrechtseweg werd niet bereikt en of Oosterbeek ten Oosten van het Heveadorp en naar het westen, Heelsum onder het granaatvuur lag, was gedurende het stadium van ons verblijf op Jacoher twijfelachtig. Veel batterijen hadden de Engelsen in deze sector van de Betuwe niet en de Duitsers konden er steeds meer geschut tegenover stellen.
Wij bewogen ons overdag tussen de werkelijke en de vermeende gevaren door, en zo wij buiten kwamen zorgden wij er voor altijd dicht bij huis te blijven, om ineens naar binnen te kunnen vluchten. Flap was nooit op haar gemak en liep ons overal voor de voeten. Enige malen werden wij hevig verschrikt doordat onverwacht vuur uit vliegtuigen over de weg vlak bij huis scheerde. Eenmaal werd de hele bevolking van Jacoher onder een luid gesprek in de keuken verrast door de bekende lichte splinterbommen, zodat iedereen hals over kop naar het middendeel van het souterrain vluchtte (later constateerden we de gaten in de weg bij het ingangshek) een ander maal kwamen plotseling twee splintergranaten dicht bij huis neer, terwijl juist iedereen meende zich zonder gevaar buiten te kunnen bewegen. Een van de granaten explodeerde in de kastanjeboom achter de keuken; Theo kreeg een klein gaatje in de mouw van jas en blouse en een zwart plekje op zijn arm, de jongste dochter des huizes een klein wondje in de bovenarm dat wij door den dokter op Eikenhof lieten onderzoeken en dat onschuldig bleek, omdat het zeer kleine scherfje was teruggekaatst op het been en er niets was blijven zitten. De andere granaat explodeerde vlak bij het huisje waar Wonne en Madeleine bezig waren drinkwater te halen: gewaarschuwd door de eerste granaat hadden zij onmiddellijk begrepen wat hen te doen stond en waren plat op de grond tegen een muur gaan liggen; een soldaat en het paard voor zijn wagen, werden echter door scherven getroffen, de soldaat was ernstig verwond en het paard sloeg op hol. De gevechtshandelingen beperkten zich gedurende de dag tot kanonvuur heen en weer, waarbij zich somtijds mitrailleurvuur aansloot, verder tot kortstondige aanvallen uit de lucht met boordwapenen en splinterbommen en afweer met kanon- en mitrailleurvuur, zelfs met gewoon geweervuur, als ook tot het beschieten van overkomende vliegtuigen. Onderwijl werden geregeld plannen voor de nacht voorbereid, batterijen en troepen verplaatst, stellingen betrokken. Eenmaal werkte men dagen achtereen vlak bij Jacoher aan de opstelling van stevige caoutchoucbootjes, lang ongeveer vier en breed ongeveer anderhalve meter, die werden opgepompt en telkens door acht man werden weggedragen in de richting van de Rijn, Een ander maal vertoefde een colonne lange tijd onder de beukenbomen langs de Oude Oosterbeekseweg en kwam zij onder vuur te liggen. Schade leed zij niet, wel echter werd een tuinstoel bij Jacoher volkomen verbrijzeld en een ander meters ver weggeslingerd, terwijl een betonnen plaat die ter bescherming van het venster van het souterrain was opgesteld, door midden werd gespleten.
De eigenlijke gevechten waarbij getracht werd in elkaars stellingen door te dringen, vonden ‘s nachts plaats. De beschieting nam dan van beide zijden sterk toe en het mitrailleurvuur kreeg een continu karakter. Wij constateerden dat allengs de Duitse batterijen niet alleen talrijker waren dan de Engelsen, daar ook dat zij vaker dan deze verplaatst werden. Dikwijls stonden zij niet verder dan honderd meter van Jacoher, somtijds schoten tanks van vlakbij, en op een nacht heeft een tank urenlang in de tuin opzij van het huis staan schieten.
Meestal kon men het afvuren van het Duitse geschut goed onderscheiden van de explosies van het inslaan van de Engelse granaten, maar het is wel voorgekomen dat zelfs ons geoefend oor zich vergiste. Duurde het schieten over en weer de gehele nacht aan een stuk door, toch waren er zich telkens herhalende hoogtepunten die korter of langoren tijd aanhielden en die tot een ware verschrikking werden wanneer de Engelse granaten vlak om het huis floten en daar uiteensprongen. Er lag in het dood en verderf brengende spektakel iets van geweldige zweepslagen, want de geluiden waren niet alleen die van een knal, maar van in woeste vaart aangierende, aaneengeschakelde kletterende slagen. De bewoners van de gewelven van Jacoher verzamelden zich dan allen in het middelste gedeelte; zij kwamen overeind van hun matrassen en stoelen en meermalen werd de afspraak herhaald hoe men zich bij brand zou gedragen. De gedachte aan brand was heel luguber, want al zou men zo lang mogelijk in het souterrain blijven, toch was het waarschijnlijk dat men reeds bij sterke rookontwikkeling het huis zou hebben te verlaten, en wat dat zou betekenen onder een regen van granaten, kon of wilde men zich blijkbaar niet realiseren, maar hoezeer wij ook herhaaldelijk verschrikt werden door het ketsen en slaan tegen de muren en het rinkelen van glasscherven, die wel tot in het souterrain toe neervielen; ernstige dingen gebeurden er binnenshuis niet.
Elke morgen zagen wij dat er gaten in de tuin om het huis waren geslagen, dat er takken van de bomen waren afgerukt, dat de muren van het huis waren beschadigd en scherven door de ruiten gevlogen, zodat er eindelijk nog maar weinige van de vele ruiten heel bleven, In het huis bleef de schade zeer gering, maar herhaaldelijk kon worden geconstateerd welk een merkwaardige weg een granaatscherf wel kon afleggen.
Onder het hevige schieten, trachtten wij steeds op te maken welk een verloop de gevechten namen en menigmaal dachten wij dat de Engelsen over de Rijn waren gekomen en tegen de heuvels oprukten, hetgeen, al moge eens een Egelsman aan deze zijde van de Rijn zijn gekomen, nooit het geval bleek te zijn integendeel, wij begrepen meer en meer dat in onze sector de Duitsers aan de winnende hand waren. Echter, zoals de situatie zich ontwikkeld had, zou die toch niet lang kunnen voortduren: het "Grote leger" moest en zou immers komen! En de Engelse luchtmacht was toch immers overweldigend!
Hadden wij dan niet het geweldige trommelvuur van verre horen aanrukken? Waar was het gebleven? Zou de hoofdmacht der Engelsen de in vergelijking daarmee niet talrijke en minder sterke bewapende Duitse troepen niet wegvagen, zoals het ging, in Frankrijk? De hier gelande troepen mochten het hard te verduren hebben, een volkomen mislukking mocht de operatie toch niet kunnen worden; zo lichtvaardig zouden geen troepen in het vuur geworpen worden en zou toch niet een van de rijkste en sterk bevolkte streken van Nederland worden opgeofferd! De langdurige en niets ontziende gevechten met klein materiaal, zouden stellig weldra een hevige doch korte strijd met onweerstaanbare middelen worden! Maar ijdel was onze hoop en waarom onze gespannen verwachting niet in vervulling ging, is ons op Jacoher en in deze "Onze dagen van 17 September tot 6 October" nimmer begrijpelijk geworden!
De dagen gingen voorbij - zij geleken elkaar, maar de gebeurtenissen regen zich aaneen tot steeds ernstiger situatie. Gedurende de eerste dagen van ons verblijf op Jacoher behoorde een tocht naar Heelsum niet tot de onmogelijkheden. Eenmaal ging de zoon des huizes met een buurman die reeds gevlucht was, maar nog eens naar zijn huis kwam kijken, brood in Heelsum halen.
Een ander maal trok een stoet bewoners uit het Heveadorp in groepen met witte vlaggen verdeeld, naar Heelsum. Heveadorp moest op Duits bevel geheel ontruimd worden (toen het ontruimd was kwamen Duitse transportkolonnes alles leeghalen).
Maar weldra was elk contact met de buitenwereld verbroken, tot tweemaal toe trachtte ik een of andere instantie te Heelsum te bereiken met een geschreven bericht: een kennisgeving wie er op Jacoher vertoefde en een verzoek om advies of hulp. Op een goede dag bracht een assistentzuster uit Oosterbeek enig nieuws: o,a. de heuglijke tijding dat de Heer Meyer en zijn dochter in goede welstand verkeerden. Enige dagen later kwam plotseling de zoon en schoondochter van de oude Heer en Mevrouw van Nispen uit Arnhem op Jacoher; dat was een vreugde over en weer.
Alles wel! Wij hoorden echter ontzettende dingen over de verwoestingen te Oosterbeek, waarvan moeilijk een voorstelling zou zijn te maken. Tous vernam dat haar vriendin, Nan van Heemstra en familie, gelukkig bijtijds naar de Prattenburg kon vertrekken,
Van de verschrikkingen en vreselijke verwoestingen, zij het ook meer plaatselijk, te Arnhem, vernamen wij ook vele bijzonderheden, maar van Nijmegen, waar wij het erger en langer hadden zien branden dan te Arnhem, konden wij niets te weten komen. Wel werd gezegd dat de landingstroepen verband hadden gekregen met de troepen die in Nijmegen stonden, maar de situatie in de Betuwe was ons allesbehalve duidelijk.
Ook op Eikenhof konden wij niets naders vernemen; het contact met dat huisje werd steeds moeilijker en dat met het Jagershuis was, zoals reeds hiervoor beschreven, op Donderdag 28 September reeds geheel verbroken. De Duno zelf was ook onbereikbaar en zeker zou men op burgers die zich daar vertoonden schieten.
Naar het heette zouden er enige huisjes verwoest zijn en zou het Hotel zijn uitgebrand, hetgeen wij wel geloofden, omdat wij in de richting van het Hotel grote rookwolken hadden zien opstijgen.

Maandagmiddag (2 oktober)werd onze aandacht getrokken door scherp mitrailleurvuur en toen wij buiten gingen kijken, zagen wij een grote rookkolom richting Jagershuis, Kasteel Doorwerth opstijgen en kort daarop een rosse gloed achter het bos op de heuvel. Kasteel of Jagershuis staat in brand dachten wij. De gloed deed ons meer denken aan het Kasteel, maar het hevig geknetter, dat wij voor mitrailleurvuur hadden gehouden, kon moeilijk anders als het branden van het Jagershuis zijn. Er werd te hevig geschoten om ons op de weg te wagen en naar Eikenhof te gaan, wel keken wij door een van de dakvensters van Jacoher, maar in de richting van het Jagershuis was het uitzicht niet vrij. Geknetter en gloed werden steeds heviger en as en verbrand papier dwarrelden door de lucht, wij vingen dat papier op, omdat wij bij de brand in Arnhem nog gedeeltelijk leesbare brieven hadden aangetroffen en zulke zouden ons thans wellicht wijzer maken. Maar niets bleek leesbaar, totdat een stukje van een brief de woorden cacao en chocolade verraadde, het Jagershuis dus! Iedereen kwam mij beklagen, maar het was mij alles onwezenlijk en ik praatte er over alsof het een andermans huis aanging. Na ruim anderhalf uur was gloed en geknetter verdwenen, maar niet het mij onwezenlijke: Ik wist wat mij getroffen had, maar onderging het niet - nóg niet.
Wij moeten nu weg. - Ja, wij moeten weg, zeiden wij allen, maar durven wij - De toestand aanzien en dan als het kan ineens handelen vonden wij allen. Nog dezelfde namiddag begonnen wij te sorteren wat wij alzo bij elkaar gered hadden: dit op onze twee wagentjes en in onze rugzakken, dat in twee manden, afkomstig van Engelse voedingsparachuten. Wij zouden die manden dan in het zijkamertje van het souterrain achterlaten en naar wij hoopten binnen niet al te lange tijd in ons bezit verkrijgen. Met lede ogen zagen wij hoe weinig we konden meenemen, ook omdat we voor elk onzer een deken of plaid beschikbaar wilden hebben en het eerst nodige proviand niet achter durfden laten. Voor mijzelf bleek dat niet anders kon worden meegenomen dan de kleren die ik aanhad, met nog een van de twee geredde pakken, het paar dunne huisschoenen, een overhemd en de verbandtrommel die ik grotendeels leegmaakte teneinde enige kleine zaken voor algemeen gebruik te kunnen bergen en verder twee plaids en in mijn zakken portefeuilles met de hoogstnoodzakelijke documenten en ongeveer duizend gulden in contanten. Van mij moest worden achtergelaten het andere geredde dunne zomerpak, de Nederlandse vlag, het Perzische kleedje, een grote klos touw en verbandmiddelen die ik afzonderlijk in een doos pakte. Mijn documenten-koffertje met twintig biljetten van honderd gulden, mocht ik in de kluis van Jacoher deponeren. Van Tous was eveneens weinig gered en bleek haast niets te kunnen worden meegenomen, van de grote kinderen ook al weinig en van Helen, al was het een allegaartje, wat meer, Tous en de kinderen maakten als zo goed mogelijke splitsing, werkten de twee achter te laten manden keurig af, en pakten de twee wagentjes. Madeleintje ging onderwijl nog naar Eikenhof om te trachten iets anders over het Jagershuis te horen. Zij kon niets anders te weten komen als dat het verbrand was.
Wanneer zouden we nu gaan? Waarheen zouden wij gaan? Om te beginnen lopen naar Bennekom, maar langs welke weg? Verder wellicht naar Coba, in Ede, ons daar getrouwd wonend, onvolprezen dienstmeisje en dan verder zien.
Dien avond kwamen er veel soldaten op Jacoher aangelopen en werden de eetkamer en de hal opgeëist ten behoeve van een voorlopige verbandpost, nu het hulplazaret op het Jagershuis was komen te vervallen. De soldaten vertelden dat het Jagershuis van de overzijde van de Rijn met fosforgranaten in brand was geschoten; het zou reeds grotendeels een ruïne geweest zijn, maar de garage was tot het laatste ogenblik in gebruik gebleven. Ze hadden zich hals-over-kop met de gewonden moeten redden. Nu was het volkomen verwoest en er stond niets meer overeind dan de hoge schoorsteen van de centrale verwarming.
Er was dus in Jacoher ook een vaste bezetting in huis. Was dat het begin van het einde, evenals het bij het Jagershuis het geval was geweest?
Wij zullen allen weldra weg moeten; maar hoe met de ouden van dagen?

Dinsdagmorgen 3 oktober hoorden wij dat er hevig zou zijn gevochten bij het Drielse veer; de Duitsers zouden daar nu aan de overzijde vaste, voet hebben gekregen en de Engelsen, in het bijzonder Polen, zouden meer in de richting van Heteren staan. Het granaatvuur was de gehele ochtend zeer hevig, het weer was somber en regenachtig; er kon niets van ons voorgenomen vertrek komen, 's Middags werd het wel een tijdje rustiger, maar wij durfden midden op de dag niet op weg gaan; bovendien was het gaan regenen.
De familie van Nispen maakte intussen ook aanstalten voor een vlucht gemaakt. Enkele kostbare schilderijen werden in de kluis ondergebracht, waar reeds verschillende objecten van waarde waren geborgen, en enkele antieke meubelen werden aan de kant gezet en karpetten opgerold, bagage gepakt.
De oudste dochter zou met ons mee trekken om zich te Bennekom of Ede te oriënteren.
De nacht van Dinsdag op Woensdag was weer bijzonder onrustig en bij het aanbreken van de dag trad geen gevechtspauze in.
Zouden wij kunnen gaan; het weer beloofde mooi te worden. Toen het wat rustiger werd ging Madeleine nog even naar Eikenhof, om den dokter op de hoogte te brengen van onze plannen en zo mogelijk nog iets over het Jagershuis te horen. Zij bleef lang weg omdat er in de buurt toch nog granaten vielen, maar eindelijk kwam zij terug: het is goed dat we gaan - het Jagershuis is volkomen verdwenen.

Woensdag 4 oktober. Zo vertrekken wij woensdag 4 Oktober, s morgens half negen met Flap en de twee wagentjes. Wij kiezen de weg dwars door naar Kievitsdel omdat dat de kortste verbinding is en ofschoon wij aan de andere kant het veiliger hadden geacht de Italiaanseweg op te gaan en de omweg over de Utrechtse straatweg te maken.
Ik loop voorop met het kinderwagentje, dichtbij freule van Nispen met een beladen fiets, dan komt Tous die enige tassen draagt en Helen aan de hand houdt, en wederom op enige afstand de vier kinderen met de bolderwagen. Flap springt om ons heen. Nauwelijks zijn wij enige honderden meters van huis, of wij verstijven van schrik doordat wij denken dat de Engelse granaten die wij aldoor op grote afstand horen inslaan, plotseling vlak bij ons neerkomen. Wij laten ons vallen in een greppel langs de weg, maar zien nu een paar soldaten die ons toeroepen verder te gaan. De explosies zijn van Duits geschut, dat naast ons, volkomen onzichtbaar in het hakhout is opgesteld. Toch zijn wij doordat, er verderop wel degelijk granaatvuur op de weg blijkt te liggen, alles behalve gerust, rennen verder, steken niet dwars door naar Kievitsdel, maar slaan de Kasteelweg af in de richting van de Utrechtseweg. Na ongeveer tien minuten voelen we ons veiliger en kort daarna herademen wij geheel: hier zijn we buiten de vuurlinie, hier is een lazaret gevestigd, hier wonen nog mensen aan de hoofdweg.
Men zegt dat wij rustig verder kunnen gaan, alleen de grote bocht van de hoofdweg bij Heelsum is nog bereikbaar voor het granaatvuur en dan kan men de Bennekomseweg op.
Freule van Nispen rijdt nu vooruit en wij spreken af elkaar op den hoek van de Bennekomse- en Wageningseweg zo mogelijk weer te ontmoeten.
Wij gaan rustig verder en komen langs het huis dat ons vroeger heeft toebehoord en dat thans blijkbaar de zetel is van hoge militairen; het is afgezet en vele veldtelefoonleidingen komen er samen. Bij de grote bocht lopen wij wat sneller, maar wij bemerken niets anders van granaatvuur als dat wij de granaten ver weg horen inslaan. Dan gaan wij de Bennekomseweg op en lopen op grote afstand van elkaar. Het is vrij warm geworden en ik leg mijn winterjas op het wagentje, waarop Tous ook haar mantel en nog enige tassen laadt, zodat wij vrezen dat het zich zal begeven. Helen is vrolijk en de vier andere kinderen komen achteraan met de bolderwagen, waarop ook zij hun rugzakken hebben geladen en waarmee ze erg tobben, omdat het wagentje geen richting wil houden.
Het blijkt dat de bewoners van Heelsum een aanzegging hebben gekregen te evacueren, zodat allengs een stroom vluchtelingen langs de Bennekomseweg begint te trekken. later horen we van de kinderen dat ze een eind met mevrouw Swart zijn meegelopen bij wie mevrouw Meyer in huis was gekomen. De Heer Swart en Mevrouw Meyer waren daags tevoren met een Rode Kruis auto naar Ede getransporteerd.
De meeste vluchtelingen lopen veel sneller dan wij, maar als wij een eind gevorderd zijn, bemerken we tot onze schrik dat er ook hier granaten neerkomen. Deze moeten dus worden afgevuurd van de overzijde van de Rijn waar deze het dichtst de Utrechtse weg nadert en waardoor ook een gedeelte van de Bennekomseweg kan worden bestreken. Wij gaan nu sneller lopen, maar onze bagage wordt tot grote last. Als ik bij een zwaar beschaduwd gedeelte van de weg kom, acht ik ons veilig en wacht op Tous en de kinderen. Tous is spoedig bij me, maar de kinderen zijn niet te ontdekken. Wij kijken naar de stroom van vluchtelingen; het is een zielig gezicht, alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd en men staat er verwonderd over wat de mensen wel denken te kunnen meedragen. Wij hebben dan ook al pakken gezien die blijkbaar werden weggeworpen en ook menige gebroken fles. Soms deed de inhoud van een gebroken weck- of jamfles over de weg verspreid ons watertanden.
Daar komen de kinderen aan, ze zijn nu in een kibbelstemming over de beste manier van voortbewegen van de bolderwagen. Wij laten hun dat zelf maar uitmaken en vervolgen onze weg. Hu lopen Tous en Helen voorop en ik volg op korte afstand met het zwaar beladen wagentje; de kinderen komen een flink stuk achteraan. Bij een bocht in de weg horen we plotseling toch nog granaten springen, het is als of zij geen honderd meter om de bocht op de weg zelf inslaan. Daar wordt juist bij de draai mijn aandacht getrokken door de inhoud van een of andere inmaakfles, het sap ligt als een plakkaat bloed op de stenen en in het midden daarvan - maar wat is dat: twee afzonderlijke hersenhelften, als ongeschonden uit een schedel gelicht. Tous staat rechts voor mij en wijst op iets wat ik eerst niet gezien had: ter zijde van de weg ligt het lijk van een vrouw, wier schedel is weggeslagen. Tien stappen verder ligt nog een dode vrouw, achterover met verwrongen handen, en links op de berm het lijk van een man bij een fiets, Tous had in hem de koster van het kerkje te Doorwerth herkend, en de twee vrouwen zijn vermoedelijk zijn vrouw en dochter.
Wij staan maar even stil, horen geen granaatvuur meer, naar zien voor ogen de gevaren, die ook nog hier dreigen. Met het oog op Helen, die er niet veel van begrijpt, loopt Tous ineens door, ik volg en roep de kinderen toe niet stil te blijven staan bij de lugubere resten en op te schieten. Met veel verder wordt onze aandacht getrokken door een verlaten zomerhuisje.
De bewoners zijn blijkbaar plotseling vertrokken, wel in grote angst door het voorbij ijlen van vluchtelingen tengevolge van het zo nabij gebeurde; alles staat open, de tafel gedekt, melk in de kinderbekers, speelgoed langs de vloer en de deurtjes van een grote kooi met vogels geopend. Wij namen op de bank naast het huis even rust en gaan dan met ons zevenen meer aaneengesloten verder. Bijna alle vluchtelingen zijn ons allengs voorgekomen en er komen er, voorzover wij zien kunnen, nog maar enkele achter ons aan.
Onder het verder gaan moet ik telkens denken, hoe na ditmaal de dood aan ons voorbij ging en hoe groot toch het gevaar is geweest, waaraan wij nu al meer dan twee weken constant zijn bloot gesteld, maar ik mag nu zeggen gelukkig - niet aldoor even sterk gedacht hebben.
Wij naderen nu Bennekom en mogen ons voor alle gevaar, behalve voor dat uit de lucht, veilig achten. Wij zien de mensen hun gewone gang gaan, boodschappen doen en met elkaar staan praten. Op de hoek van de Bennekomse- en Wageningseweg kijken wij rond naar de freule van Nispen, wachten nog even, maar waar de tijd reeds vordert gaan wij door. Wij volgen niet de hoofdweg naar Ede, maar de landelijke weg achterom. Onze wagentjes worden ons hoe langer hoe meer tot een last, vooral als een van de wieltjes van het kinderwagentje telkens vastloopt. Wij zijn hongerig en doodmoe, en staan telkens stil want we zijn nu al meer dan vier uur onder weg, en hebben slechts een enkel kaakje en een appel gegeten. Bij een boerderij met een oprit naar een grote schuur, zien wij de aan de familie van Nispen bekende slager uit Doorwerth staan. Wij vernemen dat freule van Nispen aan de boerderij geweest is om over een wagen te spreken en dat zij verder gegaan is naar een adres dat haar neef uit Arnhem had opgegeven. De vriendelijke boerin geeft ons allen een groot bord heerlijke soep met spek er in, maar wij moeten verder, en het zal nog een heel eind zijn naar Goba. Freule van Nispen treffen wij nergens meer.
Wij lopen steeds meer te tobben maar zetten door, na een uurtje zie ik bij een flinke boerderij, kannen verse melk staan en vraag de boerin ons daarvan wat te verkopen. Zij vraagt: hebt u bonnen? Natuurlijk niet, wij zijn vluchtelingen en reeds de gehele dag onderweg. Een gulden voor een liter, zegt het mens. Ik wijs het aanbod af met de opmerking, dat zij over zulk een op schandelijke wijze gedreven zwarte handel wel meer zal horen. De afstand valt ineens erg mee omdat wij zonder het te weten langs deze landelijke weg de grote bocht door Ede zelf hebben afgesneden, die wij anders zouden hebben moeten volgen om in de nieuwe buitenwijk, waar Goba woont, uit te komen. Wij gaan nu het spoor over en staan dan na tien minuten ineens voor het huisje van haar getrouwde broeder bij wie zij inwoont. De mannen zijn niet thuis en de schoonzuster gaat Goba halen die de laatste weken bij een boer in de omtrek met haar man en kindje intrek heeft genomen met het oog op gevaren uit de lucht.
Goba staat geheel verslagen door hetgeen ons overkomen is en wil met haar schoonzuster alles doen om ons te helpen. Zij zorgen voor brood, boter, kaas enz, zoveel wij maar willen en maken drie slaapkamertjes voor ons keurig in orde. Wij rusten uit, eten, en rusten weer uit. Intussen zijn de mannen thuis gekomen en afgesproken wordt dat wij de volgende middag om twaalf uur warm zullen eten: biefstuk met gebakken aardappelen en sperzieboontjes en dat wij daarna zo mogelijk onze tocht met een wagen zullen vervolgen. Ons einddoel zou Zeist zijn, dat ons èn door ligging en door oude relaties het meest aantrekt. Wij gaan vroeg naar bed. Voor het eerst in veertien dagen kun wij ons gedeeltelijk ontkleden en kan ik op een matras slapen Wij slapen zwaar en worden vroeg in de morgen wakker door veel schieten op vrij grote afstand.
Tegen de middag komt de man van Goba met de "zwart" verkregen benodigdheden terug, maar hij heeft op geen enkele wijze een wagen kunnen verkrijgen. Misschien zouden wij van een auto gebruik kunnen maken die op het marktplein te Ede zou staan. Wij laden onze wagentjes op (een rijwielhersteller maakt het wieltje) en gaan aan tafel. Een maal als dit hebben wij in weken niet genoten en wij doen het ons best smaken. Na Goba en haar schoonzuster en de beide mannen hartelijk dank te hebben gezegd voor de geboden gastvrijheid en de bewezen goede zorgen (ik geef fl.100,~ ter bestrijding van de kosten) gaan wij op weg met onbekende bestemming voor die dag, Flap laten wij voorlopig onder de hoede van Coba achter en met Coba's man spreek ik af dat hij, zodra het mogelijk zal zijn, naar de overblijfselen van het Jagershuis zal gaan kijken en mij berichten aan het adres van mijn neef te Zeist.
Het is een heel eind lopen naar het marktplein en eenmaal daar aangekomen blijkt de toestand te Ede zeer verward. Er zijn veel te weinig wagens opgekomen voor het transport van vluchtelingen, en bij het evacuatiebureau wordt men van het kastje naar de muur gestuurd; men zou dagen in een school moeten wachten alvorens voor transport aan de beurt te komen. Er staan echter wel twee auto's op het marktplein en daarbij twee "heren" met wie ik contact krijg. Het zijn auto's uit den Haag die hier vluchtelingen "afhalen". Een rit kost fl.500,- en een rit naar Zeist zou fl.250,- per auto kosten. Wij zouden twee auto's nodig hebben, maar zouden daarover eerst morgenmiddag kunnen beschikken.
Ik vind het nogal bezwaarlijk, maar de heren zeggen dat zij hun leven in de waagschaal stellen. Er komt nog een heer meepraten en die informeert naar het tarief. Het tarief naar Den Haag is fl.75,- en de rest risico-geld voor de onderneming. Ik zeg over tien minuten mijn antwoord te zullen brengen en volg den laatst bijgekomen heer, die een evacuatiebureau binnengaat. Hij blijkt van de politie te zijn en zegt wij kunnen er niets aan doen dat men boven het tarief nog een risico-premie verlangt. Als ik weer buiten kom zijn de twee auto's en de twee heren verdwenen, naar men mij zegt was elke wagen vol bezet.
Wij besluiten in geen geval te Ede te blijven, langs de hoofdweg verder te trekken en tegen de avond aan een goed uitziende boerderij onderdak te vragen. In het stroo slapen lijkt Tous en de kinderen uitstekend en ik heb de stille hoop op een bed. Wij maken nog een grote omweg alvorens op de Amsterdamse straatweg te komen. Het is heerlijk weer en ofschoon wij voelen niet zulk een grote afstand als gisteren te kunnen afleggen, geloven wij toch wel tot Renswoude te komen. Het valt echter tegen; wij zijn gauwer moe dan we dachten en de bolderwagen berokkent ons veel last. De vier grote kinderen trekken, duwen, sturen en kibbelen, en nadat ik de hortende en stotende gang geruime tijd heb begeleid, stel ik voor dat elk op zijn beurt vijfhonderd stappen de wagen alleen zal trekken, hetgeen wel zwaar is, maar waardoor het zwalkend stuur tenminste in één hand blijft. Ik zelf begin, en het gaat redelijk goed. Wij gaan van de oudste af en terwijl het Madeleines beurt is, zien wij bij een mooie boerderij de man van Coba staan. Hij is binnendoor gefietst om ons een pakje na te brengen en staat met den ouden boer en den voerman van een lege terugkomende transportwagen voor evacués te praten. Ik tracht de voerman te bewegen ons een eind, bijvoorbeeld tot Woudenberg te brengen, maar hij beweert dat vandaag niet meer te kunnen doen, echter wel morgen, wanneer ik hem fl.50,- betaal. Ik vraag nu den boer of wij bij hem mogen overnachten, hetgeen hij goed vindt en ik spreek met de voerman af: morgenochtend negen uur, hier afrijden. De man van Coba zegt dat wij ons daarop best verlaten kunnen en gaat weer naar huis.
Ik loop nu met den boer mee die mij naar zijn "blokhuis" brengt, een afzonderlijk staand klein stenen huisje, dat zij 's zomers bewonen en waar ik zijn vrouw en dochter aantref, Tous, ik en Helen krijgen een soort logeerkamertje met één heel breed bed en de vier grote kinderen kunnen op stro in de deel slapen. Ons kamertje is erg primitief en dekens zijn er niet op het bed; de deel is heel groot en zindelijk. Hu komen ook de drie zoons; zij maken een veel vriendelijker indruk dan vader, moeder en dochter. Ik zeg dat ik natuurlijk voor alles wil betalen, maar dan wordt geantwoord dat het wel terecht komt. Het verblijf van de kinderen wordt goed ingericht; wij krijgen brood, boter, kaas en melk on gaan vroeg naar bed. ‘s Nachts hebben wij het zeer koud; ofschoon wij met onze j

Donderdag 5 oktober. Voor zes uur loop ik al buiten. Het is prachtig weer, de maan staat nog hoog en de zon begint op te komen; in de verte aldoor kanongebulder. Het is een grote boerderij die er uitstekend onderhouden uitziet. De zoons melken de koeien in de stal en weldra verschijnt nu ook de dochter en de moeder. De stemming is veel vriendelijker dan gisterenavond en in het blokhuis, waar het warm is door een brandend fornuis in het woonkamertje, luistert de familie met aandacht naar hetgeen wij alzo vertellen. Wij krijgen een royaal ontbijt. Het is moeilijk te weten te komen of zij wel of niet betaling wensen, maar als ik fl.10 geef, krijgen wij nog een flink stuk kaas mee voor onze verdere tocht. Reeds om half negen is de voerman present; wij zijn spoedig opgeladen en vertrekken na een hartelijk afscheid.
De wagen waarop wij rijden is een platte boerenkar, zonder gummibanden, met stro gedakt en waarvan de achterkant vrij hoog is opgeklapt. Tous en ik zitten op dik stro geleund tegen de achterkant mot Helen tussen ons in, in dikke plaids gewikkeld; middenin staan de wagentjes en liggen de rugzakken; de kinderen zitten links en recht of naast de voerman en op de bok staat een stok met een witte vlag. Wij rijden alleen maar stapvoets en vorderen 6 KM per uur. Aan het schokken wennen wij vrij spoedig en de koude valt nogal mee. Wij zien geen andere vluchtelingen, maar wel komen wij wagens tegen die evacués uit Ede gaan ophalen.
Hier en daar zijn beschadigingen aan bomen en weg waar te nemen, veroorzaakt door boordwapenen van Engelse jagers, de voerman wijst ons een plek waar gisteren een Duitse auto die een wagen met vluchtelingen passeerde, uit de lucht was beschoten en waarbij niet de auto werd getroffen, maar het paard van de wagen gedood.
Bij Ederveen zien wij in een tuintje voor een huis plotseling Jorientje de Kruyff van Dorssen spelen en daar komt Jifke, haar moeder, al aangehold. Dat was een weerzien. Gelukkig is ook haar man welvarend (hij is juist op onderzoek uit), maar zij drieën hebben in hun deerlijk gehavend huis te Oosterboek angstige dagen in de kelder doorgebracht. Tot onze spijt kunnen we niet lang stilstaan, maar wij hopen elkaar spoedig weer te zien. Wij vorderen langzaam en ik raak half in slaap. Het is een wakend dromen over huis en toekomst en oorlog. Het huis: - het kan niet totaal verloren zijn - waarom zou het nu geheel en al zijn afgebrand - ik heb het toch zelf niet gezien - is het wel waar dat de Engelsen hier fosforgranaten gebruikt hebben - zo niet, dan zal er toch nog wel iets overeind staan - boeken liggen allicht onder puin begraven en verbranden niet zo gauw - en zelfs als het orgel over de orgelkelder is ineengestort, dan is de inhoud van die kelder vermoedelijk gaaf gebleven, en daarmede ook het onderhanden zijnde deel van mijn Werk en de Grafieken gered en zoveel andere stukken, bescheiden, souvenirs enz.
De toekomst: - een vaag besef van hetgeen ons, van alles beroofden, boven het hoofd hangt, en dan vloeit in mijn denken alles dooreen en vind ik geen houvast meer en alleen de begeerte naar rust en vrijheid.
De oorlog: - ja, hier is mijn oordeel reeds lang gevestigd en ik overdenk mijn overtuiging: hoezeer deze oorlog ook verweven is met die van 1914-18, Duitsland staat hier tegenover de Mensheid als de grote schuldige, in het bizonder door zijn gedragingen - wij moeten nu eenmaal door deze oorlog heen en ook zijn vreeselijke gevolgen zijn nog te trotseren, maar nooit meer mag lichtvaardig over weer een oorlog worden gesproken; "wij" willen geen oorlog, hebben nooit oorlog gewild; het zijn "zij", die op de verantwoordelijke plaatsen, als gegrepen door het noodlot, niet de ware leiding weten te geven; bewust oorlog willen, doen wellicht slechts enkelen van hen, de anderen zijn te zwak en doen te sterk - maar hoe ook : "wij" brengen duizend maal liever offers voor de vrede dan voor de oorlog; laten wij dat bedenken en ook dit, dat met oneindig veel minder offers dan thans aan goed en bloed zijn opgeëist, ook deze oorlog had kunnen worden voorkomen. Offers brengen voor de Vrede, onze eigen verantwoordelijkheid inzien: niet "zij", maar "wij" hebben te regeren over ons eigen lot! De toekomst: wat betekent mijn toekomst nog? De toekomst is aan onze kinderen. Ik zal hen voorlichten, zal alles opschrijven wat ons overkomen is en wat ik overdacht heb, nu en eerder maar mag ik voor mij zelf dan geen plannen maken? Het lukt niet, alles vaagt dooreen rust en vrijheid, vrijheid.....
Bij Scherpenzeel treft ons de aardige wederopbouw van de gedeeltelijke verwoesting in I940 en wordt halt gehouden voor het hotel "De Holevoet", waar wij volgens de voerman een kop koffie kunnen drinken. Groot is onze verrassing als wij in een serre niet alleen uitstekende koffie met dik gesmeerde boterhammen, waarop veel kaas, krijgen, maar ook een diep bord met zulk een lekkere pap als wij in jaren niet hebben geproefd. Het onthaal blijkt uit te gaan van het evacuatie-comité en de eigenaar van het hotel. Tous en ik kunnen nog een glas sherry krijgen (tegen betaling) en na oponthoud van een half uur vervolgen wij verkwikt onze tocht.
Wij bemerken niets van vliegtuigen en komen klokslag 12 uur aan de coöperatieve meelfabriek te Woudenberg aan. Daar worden wij afgeladen en in de grote beneden-ruimte van de fabriek opnieuw onthaald, thans karnemelkse pap met brood en kaas, eveneens namens een evacuatie-comité. Wij treffen er mannen en een zuster van het Rode Kruis aan, en vernemen dat wij kosteloos op transport naar Zeist kunnen worden gesteld, zodra een groepering van vluchtelingen mogelijk zal zijn, waarmee echter wel enige uren gemoeid is. Wij lopen wat heen en weer, in en uit de fabriek, vluchten een paar maal naar binnen als er vliegers overkomen en worden eindelijk om drie uur opnieuw opgeladen. Tous en Helen komen in een overdekte wagen op gummiebanden, bij enige zeer oude en half zieke mensen en een.mevrouw met een kindje van een paar weken, ik op een open wagen, leunend tegen een smal zijplank je, als haringen gepakt met mensen van allerlei slag, Madeleine en de twee jongens op een wagen waarop alle bagage was geladen en Wonne er naast en later voorop,op een fiets van de mevrouw met het kindje bij wie Tous in de wagen zit, Nauwelijks zijn wij afgereden, of de stoet houdt stil bij een café waar drie oude vrouwtjes in deerniswekkende toestand door nonnen en een Rode Kruis broeder worden opgeladen (zij werden zojuist bediend). De tocht gaat thans vlot omdat wij zo nu en dan in draf kunnen rijden, maar als wij de oplopende weg in de buurt van Pyramide over zijn, moeten wij geruimen tijd op de bagagewagen wachten.
Dan zijn wij eerder dan verwacht in Zeist, draaien de brede Slotlaan in, waar de grote winkels en de drukte van mensen ons verrast, en om vijf uur rijden wij het Zusterplein van de Herrnhutters op. Wij worden vol zorg uit onze wagens geholpen en geleid naar het geheel witte kerklokaal, dat als ontvangzaal voor de vluchtelingen is ingericht. Ook hier weer wacht ons een ontvangst met brood, kaas en soep. Er zijn reeds vele vluchtelingen binnen en er komen steeds nieuwe aan. Op het platvorm staat een lange tafel waar men wordt geregistreerd en waar men verneemt dat men zich aan het gemeentehuis verder moet aanmelden. De kinderen zet ik bij onze bagage, Tous gaat uit om zich te oriënteren of wij bij hotel Figi of Hermitage terecht zouden kunnen, en ik ga naar het stadhuis om daar het nodige te doen. Tijdens onze afwezigheid ontmoeten de kinderen de oude mevrouw Meyer, die in goede gezondheid op een bakfiets naar een haar aanbevolen adres wordt gebracht, terwijl ik bij terugkomst Mevrouw 0`breen uit Oosterbeek even spreek. Zij weet helaas niet hoe het Mevrouw ter Horst met de vijf kinders gegaan is, Tous komt onverrichte zake terug, daar alle hotels door Duitsers bezet zijn, en ik heb na inschrijving als "evacué" op het stadhuis drie bij elkaar gelegen adressen in de Prof. Sproncklaan opgekregen. Het zijn families die zich vrijwillig tot het herbergen van evacués aanmeldden.
Op het Zusterplein staan vele flinke jongens van de scholen te Zeist gereed om de aankomende mensen op alle mogelijke wijze te helpen en zo worden wij met onze bagage op een bakfiets, door een aardige jongen naar de Prof. Sproncklaan gebracht. Het is al donker als wij daar aankomen. Bij het eerste adres verschijnen twee jongens van een jaar of twaalf aan de deur: dus hier Theo en Herman; bij het tweede adres vernemen wij dat daar drie grote kinderen zijn (jongens): dus daar Wonne en Madeleine; bij het derde adres zijn geen kinderen, en dat komt goed uit voor Tous, Helen en mijzelf. De dekens en de eerste nodige behoeften worden over ons zevenen verdeeld, de rest zullen we morgen wel uitzoeken. Ik zeg dat ik de jongen die ons hielp gaarne wat geven zou, maar hij antwoordt dat hij en de zijnen dit alles als liefdewerk doen, als u wat geven wil, Meneer, geef me dan een hand. Wat ik van harte doe.
Daar staan wij nu in drie groepen verdeeld, het uit-een-gaan van wat inniger dan ooit verbonden was, is als een scheiding in een vreemd land: "Guayaquil", flitst door mijn hoofd, mijn wonderlijk verblijf, nu bijna twintig jaar geleden, in Ecuadors hoofdstad.
 Dag Herman, flink ben je geweest en gedienstig, zoals altijd; Dag Theodoor, vernuftig was je, jongen, en flink ook jij. Dag Maleintje, zorgzaam beestenkind, dapper meisje.
Dag Wonne, ja verstandig was je, en rustig.
Dag vier grote kinderen, een keerpunt in jullie leven is gekomen. Houdt je flink, gedenk het Oude ten goede van het Nieuwe.
En jij Helen, wat lief ben je geweest, zoals altijd, en zo "groot" ook voor jou is een keerpunt gekomen, maar je deel was nog zo gering in het Oude, waarvan je broertjes en zusjes al zo genoten; dat zullen wij allen steeds bedenken en vergoeden.
 Daar staan wij nu: alles verloren - maar behouden het Leven, en goed en wel!
 Moge ons dierbaar Vaderland nu spoedig bevrijd zijn, moge de oorlog nu gauw ten einde zijn - moge de nieuwe Vrede nu beter dan voorheen gevestigd worden en mogen de mensen bedenken hun aller schuld tot heil van beter toekomst.

  -----------------------------------------------

22 Mei 1945

Op de 7 exemplaren (Safe Nederlandse Handels, Maatschappij te Zeist - ongebonden) voor ons gezin, doe ik het volgende bij typen:
Kinderen, dit geschrift is geschreven nog onder het Duitse juk en dat is de oorzaak waardoor hier en daar wel wat werd weggelaten of minder sterk belicht, maar vooral verzwegen werd.
- en dat uit goede gronden - onze haat tegen het Duitse regime. Ik wil niet zeggen, tegen elken Duitser individueel, neen, verblind ben ik niet - en was niet "Onkel Berhard" uit Stuttgart ook tijdens den oorlog, één mijner echte vrienden - maar toch wel tegen het Duitse volk als één geheel, want dat volk heeft bij overweldigende meerderheid toegejuicht, zolang het "goed" ging, de schanddaden van het Rijk en een ieder die tot dat volk behoorde staat als medeplichtige schuldig aan rechtsverkrachting woordbreuk, bedrog, verwoesting, diefstal, plundering, mensenroof, marteling, doodslag en moord en dat alles op elk gebied, overal en op de afschuwelijkste wijze!
Kinderen, ons land is nu bevrijd: wat een Vreugde, maar ook-wat een ellende komt er bloot te liggen: onoverzichtelijk nog., maar in haar wezen reeds begrepen.

- Dit Herinneringsgeschrift behelst alleen "onze dagen van 17 September tot 6 October"; de ondergang van ons geliefd Huis met zijn gehele inventaris en onze vlucht.
Maar daarna brak de vreselijke winter 1944/45 aan terwijl de hongerperiode zich tot ver in het voorjaar uitstrekte en de Duitse terreur zich steeds vreselijker deed gelden en eindelijk het oprukken van de Geallieerde legers uit het Oosten naar het Westen (wie had dat ooit verwacht) nieuwe angsten veroorzaakte.
En al dien tijd door, leefde ik in spanning over wat wellicht uit de ruïnes van ons Huis nog zou zijn te redden. in het bijzonder over den inhoud-van de orgelkelder! Het werd een bange droom, waarin ik, werkzame, tot machteloosheid gedoemd, geslagen in een hoek, het verloop der dingen zat af te wachten, plannen makend, die ikzelf bij verder doordenken telkens den bodem moest inslaan. En nu ik dit kleine naschrift schrijf is alle hoop verloren.

Ik ben er zelf geweest, met speciale toestemming van het Militair Gezag; niets is er meer over, niets, want waar eens de orgelkelder was, is nu een gapende diepe kuil in puin, zand en leem, zelfs wanden en bodem zijn verdwenen. De hitte moet verschrikkelijk zijn geweest, wellicht vonden ook explosies plaats, maar zeker is er ook gestolen, voor of na den brand, want in de as- en puinlagen vindt men niets van de diep in de kelder geborgen objecten van zilver, van brons, van koper enz., noch enige restanten van de vele zware gevulde kisten (zinkvoering), lederen koffers (sloten en beugels) of van motoren en electrische apparaten
 enz. Ik heb ook geconstateerd, dat ons terrein en onze bossen heel erg geleden hebben en dat het Hotel de Duno en alle huisjes op den Duno volkomen zijn verdwenen; alles veel erger dan, verondersteld; ook het Kasteel is een grote ruïne.

Weg, voor goed weg: mijn werk-onder-handen met de prachtig geslaagde Grafieken en de zo minutieus bewerkte Toelichtingsbladen (hopelijk is de geheel gerede "Inleiding" bij de Bank te Arnhem gered, maar die "Inleiding" maakte een onafscheidelijk deel uit van de Grafieken en Toelichtingsbladen); weg ook mijn aansluitende Bibliotheek met de bronnen-registers; weg, mijn geliefde muziekpartituren, waarvan vele met analyserende notities (het beetje "eigenmuziek" is - voor mij - hopelijk bij de Bank gered), mijn souvenirs uit mijn jeugd, mijn familiestukken, portretten, kiekjes enz en al mijn foto's, albums en beschrijvingen van mijn grote reizen (een boek met notities is hopelijk bij de Bank gered), mijn gehele archief trouwens waarin zeer vele papieren van belang op zakelijk gebied en dat van familieaangelegenheden; weg ook de zo interessante kinderfilms, het filmopname- en projectie apparaat (de kinderalbums die mamma zo getrouw en prachtig voor elk kind bijhield zijn hopelijk gered bij de Bank, evenals een fotoalbum van het Jagershuis en van Wahlhalde), Weg - weg, al dat onvervangbare : niets is meer op te slaan, elk verband met het verleden is verbroken.
En te denken dat het grootste deel wellicht niet eens is verbrand, maar weggehaald in de mooie kisten, koffers en valiezen en ergens misschien nog achterhaald zou kunnen worden. En nu heb ik nog niet eens gesproken van het Orgel, de Vleugel, de Radio- en grammofoon installatie (met automatische platenwisselaar en versterker), niet eens van Triptiek, Bronzen, Ivoren en Barnsteen-collectie, van al onze andere boeken, van ons prachtig zilver en kristal enz* enz, (de garderobes en de linnenkasten noem ik maar even tussen haakjes, evenals auto, tien fietsen, speelgoed, terwijl ik de overige inventaris niet eens memoreer, zelfs de weelde van de Perzische tapijten en kleedjes niet).

Ja, ons land is bevrijd: wat een Vreugde, maar ook wat een ellende komt nu bloot te liggen.
Stellig, ons Gezin is behouden, wij zijn door de verschrikkingen van de 5 jaren heen gekomen, maar, voor mij persoonlijk is het alsof ik nog leef rond het leven dat uit mij is genomen.

  ------------------------------------

  15 NOVEMBER I946

Twee volle jaren - op de datum af - na het tot stand komen van dit geschrift, wil ik nog volgende regels daar aan toevoegen alvorens ik de 7 exemplaren doe inbinden:

Reeds 22 Mei '45 vlak na mijn bezoek aan Doorwerth kort na de Bevrijding, schreef ik een naschrift in de vreugde over de Bevrijding, getemperd door de ellende in het land, werd weggevaagd door mijn persoonlijke ellende. Het was alsof ik geheel ten onder zou gaan en alleen het vrije en ongeschonden Zwitserland, dat mij mijn gehele leven lang zo had aangetrokken, uitkomst kon brengen. Ik werkte een avontuurlijke opzet uit en volvoerde die. Ik vertrok Maandagochtend 18 Juni in een ziekenwagentje achter een tandem met een Rode-Kruis "broeder" en een echte Rode-Kruiszuster. Paspoorten, visa, reisgeld, inreisvergunning in Zwitserland, niets bestond, maar mijn "internationale papieren" waren prachtig en na een voorspoedige reis, grotendeels zelfs per trein, mede mogelijk door buitengewone hulpverlening door de Amerikaanse troepen, stonden wij reeds Zaterdagnacht van 23 op 24 Juni voor de Zwitserse grenzen bij Bazel. Het duurde tot Dinsdagochtend de 26ste, alvorens ik werd toegelaten. En toen lag het Paradijs open!
Mijn opzet, tocht en toelating beschreef ik in een afzonderlijk relaas en mijn herinneringen aan mijn verblijf in Zwitserland zijn vastgelegd in afzonderlijke notities. Hier memoreer ik alleen dat ik in het prachtige Sanatorium "les Rives de Prangins" bij Nyon, aan het Meer van Genève, weldra goed bijkwam en verder veel herstel vond te Spiez aan het Meer van Thun, dat van 11 Nov. 45 tot 14 Maart 46. Mamma en Helen overkwamen en wij een rustige winter doorbrachten in een modern verbouwd chalet te Gunten aan het meer, dat ik daarna naar Spiez terugkeerde, als gast bij een lieve doktersfamilie, dat Mama mij eindelijk 9 Oct, "kwam halen" en wij samen een prettige veertien dagen in Zwitserland genoten en op de 23ste October naar Nederland terugvlogen. Onze plannen om met ons hele gezin in Zwitserland te gaan wonen konden niet in vervulling gaan, tengevolge van de rigoureuze deviezenpolitiek in ons land; zelfs voor mij persoonlijk was alleen nog maar aan geld te komen door dat van Zwitserse vrienden te lenen - en dat is iets waarvoor ik zelf, voor ogen de onoverzichtelijke situatie en de strenge verbodsbepalingen grenzen moest stellen.

Zo ben ik na ruim 16 maanden ononderbroken afwezigheid weder in het land terug.
Hoe de toestand zich ontwikkeld had, hoe onze geldpositie geworden is, in het algemeen, zowel als t.o. van de brandende schadekwesties, als van een verblijf in Zwitserland, heb ik eveneens in afzonderlijke notities gememoreerd.
Hier wil ik alleen vermelden: De bevrijding een wrede ontgoocheling! Eten genoeg (ofschoon veel ontbreekt, hapert en duur is tengevolge van een eigenaardige uitvoerpolitiek), verkeerswezen en openbare diensten op redelijke wijze in voorlopig herstel, maar de wederopbouw- is een grote ellende: geen materialen, geen mensen, geen geld, daarbij gemis aan kennis van zaken, gebrekkige oriëntering, bureaucratie en corruptie. Daarbij ook een fantastische geldpolitiek en onoverzichtelijke en helaas onbetrouwbare buitenlandse politiek en een groot fiasco met Indië. Waar gaat het heen met ons land?
Ons particuliere leven is een schaduw van ons vroeger bestaan en nergens bestaat voor ons Recht en Herstel. Wij maken van de Socrateslaan wat ervan te maken is; ik heb zelfs een uitstekend gereviseerde Steinway vleugel kunnen kopen, maar de druk en de omstandigheden en het onrecht ten opzichte van ons tegenwoordig leven en herstel is - zeker voor mijzelf - niet te dragen.

- Ik wil naar Zwitserland - ik wil mijn gehele gezin meenemen - daar liggen voor ons mogelijkheden om, zij het gebonden aan geldlimieten, een waardig bestaan te lijden te midden van vrijheid en schoonheid.
- Wat nu staat te gebeuren is niet te voorspellen. Zeker is, dat ik naast onze noden, als van alles beroofde oorlogsslachtoffers, geldelijk buitengewoon zwaar zal worden getroffen door belastingen, door een heffing-in-eens en door onredelijke opvattingen bij het regelen van de schadevergoedingen die de Staat heeft te betalen en door de onmogelijkheid voor de Molestmaatschappijen de verzekerde bedragen ten volle of voor een bevredigend percentage uit te keren.
- Onder alles een streep en het land uit; liever eenvoudig, klein, maar rustig en ongestoord elders te leven, dan de eeuwige ergernissen. Hier........... als het kon in Zwitserland - nu of later.
Dat is mijn streven : een nieuw Hoofdstuk in mijn leven - hoe lang nog - en hiermede eindigt dit Geschrift. 

N.B.
Ik voeg hierbij in de "portefeuille" achterin; enige foto's en verschillende bijkomstige papieren, waaronder: Een relaas omtrent de Bezitting "Het Jagershuis" en de Inventaris.

  ------------------------------------------

  M E M O R A N D U M

Direct na de bevrijding
De oorlog heeft NEDERLAND zwaar getroffen? zelf gebleven buiten den reeds meer dan een half jaar slependen oorlog, op 10 Mei '940 door Duitschland onvoorbereid en overnacht overvallen, begeerd als uitvalspoort tegenover den groeten vijand van dien toenmaals machtigsten militairen Staat ter wereld - vijf jaren lang onder militaire heerschappij en politieke dwinglandij van een modernen roofstaat, waarvan elk burger, deelgenoot in zijn daden van leugen en bedrog van woordbreuk en vervalsching:, van rechts verkrachting en roof, vanwreedheid en moord, als medeplichtig aan het allerwegen gestichte onheil, schuldig staat.
Maar al weldra bleek dat niet alleen tijdens den oorlog Nederland het pistool op de borst van Engeland zou moeten zijn (hoe groeiden de mogelijkheden tijdens den oorlog door geweldige uitvindingen, zoals de V-wapenen), maar ook na den Vrede, die Duitschland als overwinnaar Europa zou doen beheerschen, moest Nederland, zoo niet regelrecht geannexeerd, dan toch in anderen vorm een wingewest van Duitschland blijven uitmaken^ Daarop-worden alle maatregelen gericht: 'niet een militaire bezetting - waarbij de denkende Nederlander, hoe onrechtmatig hij die ook zou hebben geacht, zich tijdelijk en binnen de termen van de geldende conventies, zou hebben moeten neerleggen: maar een politieke overheersching, een volkomen inschakeling in de denkbeelden van een aan grootheidswaan zich te buiten gaand volk, en onze bevolking ondergeschikt maken aan een juist tegen den eigen volksaard ingaand regime; de Pruisische laars, gisteren gedragen door den Kaiser. heden door de 'Führer'', morgen: nooit meer, NOOIT MEERI
 Afgezien van het aantal gesneuvelden van leger en vloot die in Neerlands geschiedenis zullen voortleven met de martelaren van de burgerbevolking, in, of in verband met den ondergrondschen strijd gevallen, is Nederland nu na Duitschland, het in verhouding zwaarst geteisterde land van alle landen; met zijn kleine oppervlakte van niet eens een vijftiende deel van het voormalige Duitschland (zonder de latere wingewesten) en zijn samengedrongen bevolking van over de negen millioen zielen (waarvan ongeveer de helft zelfs binnen eén ' vierde deel van zijn oppervlakte), met zijn gemis aan gebergten, ravijnen en wouden, met daarentegen zijn dicht net van spoor- en tramlijnen, groote verkeerswegen, breede rivieren en kanalen, was het buitengewoon trefbaar van uit de lucht en tevens, bizonder goed verdedigbaar bij de moderne oorlogsvoering en kon elke binnenlandsche beweging van verzet met niets ontziende middelen gemakkelijk onderdrukt blijven (onze ondergronders verrichtten uitstekend werk maar konden niet bereiken wat te bereiken viel in uitgestrekte en daarbij bergachtige of beboschte landen met wijdverspreide woonplaatsen).

Zoo zwaar gedurende de lange vijf jaren van verschrikking werd Nederland getroffen, dat hier alleen de belangrijkste feiten - en dan nog terloops - kunnen worden gememoreerd;
Reeds direct in de Mei-dagen van I940 greep de moorddadige en geweldige verwoesting van Rotterdam plaats, tot dan zonder weerga in de geschiedenis sinds de oudheid, en tegelijktijdig viel de verwoesting van Middelburg on de schade aan menige Gemeente in het land; in later jaren schakelden zich toen vele lokale verwoestingen door bombardementen uit de lucht als een droeve rij aaneen, waarvan als buitengewoon noodlottig genoemd worden die wederom van Rotterdam van Nijmegen, van de Steden in den Achterhoek en ook die van den Haag.

Onderwijl namen alom in het Land de verwoestingen langs de spoorlijnen en groote verkeerswegen toe en in de September-dagen van I944 breidde het oorlogsgeweld ch regelrecht uit over eén strook in het Zuiden en Oosten van het land met Nijmegen en Arnhem, Renkum en de dichtbevolkte en prachtige omgeving dier Gemeenten, als brandpunten van verwoesting en tenslotte sloeg in het voorjaar van I945 het oorlogsgeweld over naar een deel van Limburg en den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek, dé IJselstreek en het Noorden van het land, zoodat Venlo, Roermond, wederom Arnhem, Zutfen, Zwolle, Meppel, Groningen en Delfzijl en vele andere plaatsen zwaar te lijden kregen. En naast al die verwoestingen regelrecht het gevolg van het oorlogsgeweld, richtten de Duitschers hun geweldige vernielingen aan, deels als noodzakelijkheid bii hun niets ontziend svsteem van oorlogvoering'(hoe nestelden zij zich bij voorkeur tusschen de burgerbevolking!), deels als gevolg van hun vandalisme, dat ongebreidelder zich ontwikkelde naarmate zij de verliezende partij bleken te zijn. Zoo werd den Haag eenvoudig voor een gedeelte moedwillig afgebroken en werd het afbraakmateriaal voorzoover dat kon dienen en er transportmogelijkheid was, naar Duitschland vervoerd. Zo werden ondanks een slechts verre mogelijkheid van defensie de havenwerken en kaden, ja de graansilo's en veemen te Amsterdam en Rotterdam zoover als men daartoe maar in staat was - en dat bleek heel ver te zijn vernield: zoo werden dijken, gemalen en sluizen opgeblazen en alom meedogenloos uitgestrekte stukken van het vruchtbaarste land onder water gezet. Zoo werden Spoorlljnen, wegen en bruggen en electrische centrales vernield. Bij al die verwoestingen en vernielingen, die wanneer men ze goed overziet alle te zamen vreeselijker zijn dan men bij locale beoordeeling zou denken en ook zoo uitgebreid dat gerust gezegd kon worden dat nergens een duizendste deel van de oppervlakte van Nederland te vinden is, dat niet eenig spoor ervan vertoont, komt dan nog het wegslepen en de roof van een schier niet te overziene, maar in ieder geval éen ongelooflijke hoeveelheid en waarde aan materiaal, grondstoffen, goederen, producten en voedingsmiddelen uit staats-, provincie- en gemeentebedrijven, uit de groote fabrieken, de werven en constructiewerkplaatsen, tot aan de kleine werkplaatsen en de garages toe.

Uit de veemen, pakhuizen en opslagplaatsen, de warenhuizen, magazijnen en de gewone winkels, uit de landbouw-, tuinbouw- en veeteeltbedrijven; alsmede uit de boerderijen;- zelfs musea, inrichtingen voor onderwijs, wetenschap en algemeen nut, ziekenhuizen en stichtingen werden niet ontzien en eindelijk werden de huizen van de burgerbevolking, groot en klein, het object van een van boven af georganiseerd systeem van roof en van beneden af overgenomen individueele diefstal. Zelfs geheele houtopstanden verdwenen naar het boschrijke Duitschland en naast de schepen van onze binnenvaart en het rollend materiaal van de spoor- en tramwegen en autobusdiensten en de auto's van bedrijven en particulieren, werden fietsen, radiotoestellen, naaimachines, dekens, linnengoed, kleeren en huisraad van allerlei aard op groote schaal stelselmatig over de grenzen gesleept.
Gemunt geld en bankbiljetten, sieraden, schilderijen en kunstvoorwerpen waren geregeld het object, zoowel van sluwe als van brutale toeeigening.

Gold aanvankelijk veelal een gebod tot inlevering, zooals dat van edele metalen, en een systeem van vordering, wairbij een zeker bedrag betaald werd, zooals voor bepaalde materialen en producten - vele naive menschen hebben niet ingezien dat met ons eigen geld (afgeperste belasting opbrengst) betaald werd - later werd die wijze van opeisching gemakshalve prijsgegeven en tenslotte bleef er niet anders over dan onverkapte roof, in het bijzonder in de streken welke tengevolge van de gebeurtenissen in de Septemberdagen van 1944 dóór de bevolking moesten worden'ontruimd en culminerende in de z.g, verbeurdverklaring van Arnhem.
En ondertusschen liepen de kosten van de bezetting met ongelooflijke cijfers van maand tot maand, jaar in jaar uit op, onder volkomen miskenning van de ook door Duitschland gearresteerde bepalingen van de Conventies van den Haag en van Geneve. Nederland werd volgepropt met militairen en leden van andere diensten, voor oefening, reserve en vacantie, als een betrekkelijk veilig en weelderig verblijf, waar men zich tegenover de weerlooze bevolking alles kon veroorloven. Ondertusschen verschafte de Nederlandsche Bank, door de Duitschers onder een landverraderlijk "bestuur" gebracht, de gelden voor Duitsche hasardeuze ondernemingen van semie-commercieelen aard, ja erger, regelrecht ter beoorloging van onze bondgenoten en liet zij de bankbiljettenpers op oncontroleerbare wijze draaien, terwijl de voor den oorlog direct of indirect nuttige bedrijven op elk gebied, op grove of geraffineerde wijze gedwongen werden hun productiemogelijkheden in dienst van den vijand te stellen.

En al die vreeselijke jaren door sloegen de Duitschers onze Burgers neer. Aanvankelijk was hun groep alleen gericht op Joden, maar toen hun misdaden tegen dat deel der bevolking met den dag verachtelijker werden en in het Land een kreet van afschuw, zij het ook een gesmoorde kreet opsteeg, werd de burgerij getroffen door een uitgebreide gijzelingen. Steeds meer werd ons Volk in het nauw gedreven, steeds grooter werd het aantal mannen en vrouwen die in gijzeling, in concentratiekampen en in gevangenissen werden ondergebracht en daar te lijden kregen van een slechte soms sadistische behandeling.
Steeds brutaler werden de slaven jachten en deportaties, steeds hooger steeg het aantal gefusileerden. Uiteindelijk werden de drie westelijke provincies van het land aangegrepen met het scherpe zwaard van den honger, het laatste barbaarsche middel van den bezetter ter bestrijding van de ontbreekbare samenwerking der burgerbevolking, in het bizonder der takken van Openbare Diensten. Een extra saluut aan onze spoorwegrmannen, hoog en laag - met de zaak der geeallieerden, welke, goed begrepen, maar zwaar ontgolden, ook haar zaak was en is gebleven.  NEDERLAND, Welks ligging en bodemgesteldheid door de saamgepakte Bevolking met noeste vlijt, taaie volharding en groote kennis werd uitgebuit, NEDERLAND, klein, maar eens rijk - vijf jaren lang, in verhouding als geen der andere geallieerde landen, geschonden.

EEN VOLK, EEN STRIJD

Laten wij groeten alle Nederlanders, die leden en streden voor onze Rechten, allen die vielen voor onze Vrijheid, allen die zich verzet hebben tegen den waan, het machtsmisbruik, de schanddaden van den overheerscher, allen die werden getroffen door het oorlogsgeweld in goed en bloed, laten wij al die Vaderlanders eerbiedig gedenken, zonder onderscheid van rang en stand, van geloofsovertuiging en politieke gezindheid en laten wij bedenken, dat degenen die door het oorlogsgeweld werden getroffen, naar mogelijkheid zullen moeten worden schadeloosgesteld, omdat wij allen te zamen een strijd gestreden hebben, den strijd voor de Vrijheid van het Volk van Nederland, zoo is het een rechtmatige eisch dat aan hen, die zich door den oorlog verrijkten, het verworvene wordt ontnomen en dat van hen, die door de oorlogsconjunctuur geldelijk vooruit gingen, de behaalde voordeelen worden terugverlangd; zoo ook dat allen wier woning en inboedel gespaard bleef, in bepaalde verhouding hebben bij te dragen in de nooden vari. hen die dat bezit door het spel van het toeval zagen verloren gaan.
Het "één Volk, één Strijd", zij niet een doode leuze, maar een levende werkelijkheid!

EEN WIL, EEN WEG

Laten wij allen aan den arbeid gaan, jong en oud, groot en klein, ieder naar vermogen en vooral ieder op zijn plaats. Geen bevoorrechting door geld of afkomst, maar instelling bij elke taak naar kennis en werkkracht. Laten wij allen bezield zijn door dien wil tot aanwending van onze krachten, die alle tezamen voeren langs den weg eener nieuwe sociale gerechtigheid, tot heil van het heele Volk.
Zoo moet niemand zich opsluiten binnen wat voorheen een of andere partij als eenige mogelijkheid heette te zien: het Christelijk beginsel ligt niet bij partijdictatuur, noch wordt het Sociale beginsel beheerscht door klassenstrijd, of woont Vrijheid alleen binnen de grenzen van het liberalisme.
Ook een nieuwe sociale gerechtigheid kent vele zijden, maar ze vereischt voor alle toekomst, de mogelijkheid van een menschwaardig bestaan: werkeloosheid moet worden uitgesloten, bestaansmogelijkheid moet zijn verzekerd, de oude dag verzorgd en verzorging bij ziekte of ongeval gewaarborgd, dat alles naar niet-beknibbelden maatstaf en voor ieder Nederlander die eigen mede-verantwoordelijkheid voor deze, zijn sociale rechten, daadwerkelijk inziet; dat alles ook op overzicht lijken grondslag, zonder- overtollige rompslomp en noodelooze geldverslinding.

Het "Een Wil, Een Weg", zij niet een holle phrase, maar een samenbinding van alle krachten!

HERSTEL EN WEDEROPBOUW

Laten wij bij den wederopbouw opnieuw beginnen, maar met het oude als beproefde grondslag en het nieuwe als weloverwogen doel: onze steden worden grootscher, maar behouden het Nederlandsch karakter, onze dorpen worden fraaier, maar zijn en blijven van Nederlandsche schoonheid, en het Nederlandsche landschap kome overal tot zijn recht: geen veronachtzaming, geen schending vooral door ongewenschte bebouwing of ongebreideld autoverkeer langs alle wegen; geen kleinheid, maar de groote lijn, wijd over het heerlijke land, zoo in de lage deelen, als in de landbouwen en de bebossching van de hooger gelegen gedeelten.
De regeling van de schadevergoedingen is een zeer moeilijke aangelegenheid, omdat toekenning van schadevergoeding berust op billijkheidsoverwegingen. Wanneer echter het principe "een Volk, een Strijd” goed voor oogen wordt gehouden, zal men het goede spoor niet bijster raken. Stellig gaat het hier alleen om verliezen door oorlogsgeweld en niet om indirecte verliezen, b.v. door waardevermindering van roerende en onroerende goederen tengevolge van de oorlogsconjunctuur. Kortom: zooals alle directe oorlogswinsten de
Gemeenschap ten goede moeten komen, moeten alle directe oorlogsverliezen door de Gemeenschap worden gedragen. En de gelukkige staatsburger die met zijn huis en have, niet of weinig gehavend door den oorlog is heen gekomen, moge bij zijn dankbaarheid bedenken, dat hij dure plichten te vervullen heeft jegens zijn ongelukkigen mede-staatsburger die alles of bijna alles verloren heeft; door den eenen en denzelfden strijd welke alle staatsburgers aanging. De Staat brengt hem de vervulling van zulk een wel doorleefde sociale rechtvaardigheid met doeltreffende bepalingen bij.
Overigens houde de Staat niet alleen een waakzaam oog op de afwikkelingen bij de Schade Enquete Commissie, maar ook op den gang van zaken bij de oorlogsschade-verzekerings-maatschappijen, aangezien door de massale schade in het land moeilijkheden van allerlei aard kunnen rijzen, die de verzekeraars wellicht zonder staatshulp niet zullen aankunnen. Tijdig ingrijpen lijkt hier niet alleen in het Belang van de verzekerden geboden.

DE KOSTEN

De staatsschuld van ons systematisch leeggeroofde land is zoo hoog gestegen, dat een saneering schier ondoenlijk lijkt. Radicale maatregelen, die in den vorm van directe of indirecte kapitaalsheffingen, op zulk een eenvoudige wijze een oplossing schijnen te kunnen brengen, zijn een tweesnijdend zwaard. Bedacht worde dat hier geen buitengewone spoed, in tegenstelling met wat bij: het achterhalen van oorlogs- en conjuncuur winsten heeft te gelden - geboden is, zoodat er tijd is de geheele situatje, waaronder de valutaverhoudingen tot het Buitenland te overzien.
De prestaties die Duitschland ook tegenover ons land heeft te stellen wellicht in geld, zeker in teruggave van de geroofde of vervangende goederen en in arbeid, en vermoedelijk ook in land (zonder bevolking-) kunnen een aanzienlijke verbetering van den algemeenen toestand beteekenen. Maar het zal van meet af aan noodig zijn onze Groote -Mede-Geallieerden te overtuigen van ons recht opdat wij, kleinen, niet in het gedrang verstikken.
Ook mag men hopen dat de opbrengst uit Nederlandsch-Indie, waarvan Japan niet heeft kunnen profiteeren in verhouding tot de bodemopbrengst, een belangrijke verlichting van den financieelen toestand in het Moederland zal kunnen brengen. Ook hier echter zal men zeer waakzaam moeten zijn ten opzichte van de Engelsche en Amerikaansche "belangen" en niet vergeten raag worden dat het zal gaan om een "Indonesië" waar de gedachte van zelfbestuur en wat men "vrijheid" zal noemen, vermoedelijk sterker ontwikkeld is dan men nu nog - gebrekkig georiënteerd - geneigd is aan te nemen!
Het einde van dé bezetting van ons Land en van de transacties met onze staatsgelden; beteekent tevens dat de Nederlandsche middelen niet meer den vijand, maar het eigen land, direct of indirect ten goede komen.

De verdeeling van de lasten bij de schadeloosstellingen (zie - hiervoor) en de doelmatige samenbinding van alle krachten (zie hiervoor) zullen de staatsuitgaven bovendien in niet geringe mate kunnen beperken, en temeer naarmate onze Bevolking eendrachtig is en zich vrijhoudt van corruptie, stakingen en zwartenhandel.
De kosten waarvoor Nederland staat zijn ontzaglijk groot, maar zij moeten met een koel hoofd beoordeeld worden. Waar bovendien de Komende Geslachten eerst de voordeelen kunnen gaan oogsten van de groote offers die het Levende Geslacht in de vreeselijkste van alle oorlogen gebracht heeft, zal een groot gedeelte van de lasten naar de toekomst kunnen en mogen worden verschoven, onverminderd de verplichting van de Levenden tot doelmatige voorzorg.

Th. H. Driessen
t.t, Zeist - Socrateslaan 9
eind Mei 1945

  ----------------------------------------------------------

STAAT en OORLOGSSLACHTOFFERS

Het is een geweldige taak ons land uit den vreeselijken nood waarin waarin het na vijf jaren schrikbewind, uitplundering en oorlogsgeweld is achtergelaten, te redden. Wat de Nederlander daar bij noodig heeft is steun voor zijn moraal.

De moraal van den Staat zij een lichtend voorbeeld. Dat geldt in het bijzonder t.o.v. de behandeling van de Oorlogsslachtoffers. In de benaming "oorlogsslachtoffers" ligt gegeven de categorie van menschen die hier bedoeld worden. Het zijn niet degenen die bij vervulling van hun militaire plichten werden gewond of zijn gesneuveld: elk vaderlander staat tegenover hen in bewusten eerbied en hun positie is gebonden aan wet en traditie. Oorlogsslachtoffers, dat zijn burgers, de menschen die volgens schoone Conventies (van den Haag e.a.) buiten de oorlogshandelingen hebben te blijven en die door begrippen als "totale oorlogvoering" zich, als sprak het vanzelf, juist tot objecten van geweld en strijd zagen gemaakt, vaak doordat het militair gebeuren zich opzettelijk in en om hun milieu afspeelde. Zij, die burgers, als weerlooze bevolking, werden de ware slachtoffers van den oorlog. Hun lijf, goed en have werden direct betrokken in de oorlogshandelingen. Het was een inzet bij een door hen niet te keeren loop der gebeurtenissen, maar steeds geboden voor de bevrijding van het Land: de wensch van alle rechtgeaarde Nederlandsche Staatsburgers. De inzet was vitaal voor het weerstandsvermogen van den Staat, hij was een deel van den prijs waarvoor het Land zijn vrijheid, de Staat zijn bestaan kocht. De Staat - zie hoe zijn wezen ligt in het heil van de vrijheden van de individuen die hem samenstellen - heeft dan ook voor het offer van lijf, van goed, van have op te komen: niet als een gunst, maar tengevolge van een recht van de door het oorlogsgeweld getroffen Staatsburgers.

In deze moraal ligt het hoogste goed van een Volk. Daarin wortelt de groote kracht voor de ontwikkeling van de vredesgedachte. Wordt die moraal verstikt, dan vindt daarmede de oorlogsmoraal en zijn verschrikking van gewelddadige macht over leven, dood en bezit van den ongewapende, toegang in de burgermaatschappij.

Nu treft het pijnlijk, dat in de Nota omtrent het Regeeringsbeleid, die in den loop van December 1945 aan de Tweede Kamer is overgelegd, wel in principe werd vastgelegd dat "het Nederlandsche Volk collectief have en goed in de waagschaal stelde en dat dus de schade die daaruit voortvloei collectief moet worden gedragen", maar dat blijvende schade aan den lijve geleden, stellig toch van geen minder orde dan die van goed en have (ofschoon moeilijker onder geldelijke waardeering te betrekken) wordt omgaan, terwijl voorts de overigens juist geformuleerde gedachte nog steeds niet tot rechtvaardige regelingen heeft geleid. Integendeel, men schijnt terug te deinzen voor de consequenties en door voorloopige regelingen blijft de ware situatie vertroebeld. De Overheid verleent naar Duitsch model (basis schaderegeling Rotterdam) principieel nog steeds "gunsten" en zij doet dat op veelal eenzijdigen en opportunistischen grondslag en wat huisraad aangaat, op een op bedoeling gelijkende wijze en onder volkomen miskenning van den nood en het leed der groote getroffenen.  De verfoeilijke "Ik-geest", elders door de Regering zoo terecht bestreden, wordt door haar sohaderegelingspolitiek en als uitvloeisel daarvan door het opportunisme van vele Subalterne instanties versterkt Van hoeveel waarde zou het juist niet kunnen zijn de Bevolking er doelmatig op te wijzen (oa. door den officiëlen Voorlichtingsdienst), dat zij als geheel vôor de oorlogsschade aan alle medeburgers heeft op te komen) dat het offer, door een deel der Bevolking bij toeval gebracht, 'collectief" was en dat het derhalve "collectief" moet worden gedragen, dat is door de geheele Bevolking, getroffenen en niet-getroffenen gezamenlijk en naar draagkracht. Stellig mag de vergoeding der schade niet leiden tot bevoorrechting en moet de algemeene verarming van het Land naar verhouding worden gedragen, maar Veranderingen in de maatschappelijke verhoudingen die het gevolg zijn van den 0orlog , mogen niet extra aan de toevallig getroffen oorlogssIachtoffers worden opgelegd.

Het Is heel moeilijk het principe waarbij elk Nederlander, In het bizonder degene die blijvend lichamelijk letsel opliep, in zuivere verhouding tot de gezamenlijk te dragen oorlogslasten komt te staan, in wettelijke bepalingen om te zetten en zulke bepalingen met réchtvaardigheid in practijk te brengen. Maar wanneer bedacht wordt dat in den oorlog veel moeilijker problemen zijn opgelost en dat met de oplossing van het onderhavige probleem een schuld wordt ingelost en de Vrede gediend, zal hij berading en overleg, de geboden oplossing zich steeds duidelijker afteekenen.
 Sociale rechtvaardigheid eischt echter onverwijId aandacht voor zekere toestanden en omstandigheden. Het is onvereenigbaar met het oollectiviteitsbeginsel, dat de van door oorlogsgeweld ontstane groote ongelijkheid onder de Bevolking nog langer voortbestaat.
 Er heerschen wreede tegenstellingentussen nietgetroffenen, die huis, meubilair, kleren en aIle objecten van dageIijks gebruik en weelde behielden en getroffenen die alles verloren en zelfs verstoken bleven van alle comfort en die elk contact met wat hen dierbaar was voor altoos verbroken zien. Er zijn menschen die diep ongelukkig zijn door niet meer onder eigen dak te kunnen leven, andere die gebukt gaan als onder een zware verminking door het gemis van aan hun geest en werken of gezondheid nauw verbonden objecten. Voor vele zwaar getroffenen is het tegenwoordig bestaan nauwelijks een schaduw van hun vroeger leven. Maar er zijn ook menschen, die al dat gemis, al die zorgen voor het heden en voor de toekomst niet kennen en die zich niet eens kunnen indenken wat zulk een gemis, zulk een zorg wel zeggen wil, Hun leven gaat "den gewonen gang". Zij zijn verre in de meerderheid en het lijkt dat zij de minderheid onderdrukken, het is alsof de Staat daaraan medeplichtig is.
 De Regering spreekt herhaaldelijk van offers die in het vaderlandsch belang moeten worden gebracht. Wie zal het tegenspreken maar wie ook wil tegenspreken dat er zeer groote offers gebracht zijn? Waarom blijven de gebrachte offers zoo onrechtvaardig verdeeld en wordt er bij het opleggen van nieuwe offers geen rekening gehouden met de grootte van reeds gebrachte offers? Dat deze vragen gesteld moeten worden, getuigt er van hoezeer de zwaargetroffen oorlogsslachtoffers worden miskend. Zij worden zelfs niet in staat gesteld - ja vaak gehinderd - zich door eigen initiatief, uit de diepe ellende waarin zij schuldenloos kwamen te verkeren, te geraken„ Hun geld wordt vastgehouden en dat niet alleen op geheel ongelijken basis (zuiver toeval was het bijvoorbeeld, of men veel, of weinig geld bij een Bank had staan) maar ook al heeft hun geld voor redelijk herstel te dienen, ofschoon zij groote vorderingen op den Staat hebben, wordt hen verlangd dat zij opgelegde belastingen betalen en zekerheid stellingen voldoen, in stede van die lasten volgens een wel doordachte regeling te kunnen oompenseeren. Zelfs op de hun komende uitkeeringen uit hoofde van de vrijwillige verzekering tegen oorlogsschade, wordt beslag gelegd.

Als primaire eisch van gerechtigheid worde thans begrepen, dat zoo de rechtspositie van oorlogsslachtoffers als zoodanig nog niet bevredigend kan worden geregeld, hun gevallen naar den zin van een waarachtige moraal moeten worden behandeld.
Allereerst dient er nu een einde te komen aan de schrijnend gelijkheid van niet-getroffenen en zwaargetroffenen en dan geleidelijk werkelijk herstel van persoonlijke schade ter hand genomen. In beide gevallen moet de grondslag zijn geen gunst, geen bedoeling, maar recht en respect voor het gebrachte offer aan het vaderland. Maar zelfs bij de beste regeling zal er leed en groot verlies nooit meer herstelbaar zijn; dat worde bedacht door getroffenen, niet-getroffenen en de regelende Overheid.

Bij het dienen van het algemeen-belang dat naar waren gemeenschapszin heeft voor te gaan, mag niet over het hoofd worden zien dat juist het algemeen-belang door de oorlogsslachtoffers als door geen anderen gediend werd en dat er nu een evenwicht te herstellen is, nog daargelaten dat met de verzorging ver algemeen-belang, uit zijn aard juist de niet-getroffenen veelal het meest zijn gebaat.

“Staat en Oorlogsslachtoffers” de grondslag van de hen bindende Moraal moge algemeen worden aanvaard, het offer van goed en bloed door den Staat erkend en bij het Regeeringsbeleld constructief verwerkt. -

  Th, H. Driessen
 v/h Doorwerth bij Oosterbeek. t.t. Zeist, Socrateslaan 9

---------------------------------------

RELAAS

staat van zaken
 - 1 Febr. 1945 -

Als inleiding citeer ik uit enige korte berichten, die ik eerder met ander doel opstelde het volgende:
Voor het oprukken van de Geallieerden uit België was door een ieder Doorwerth als één van de meest veilige plekjes in Nederland beschouwd. Weldra achter ontstond ongerustheid over de lijn : Nijmegen-Arnhem-IJsellinie, maar zij die het weten konden achtten de Duitsche troepen niet meer bij machte in ons land eenigen weerstand van belang te bieden. De gang van zaken ontwikkelde zich met onverwachte snelheid en op 17 September 1944 en volgende dagen hadden de- groote luchtlandingen in de omgeving van Arnhem plaats.
Direct na de eerste luchtlanding vertoonden zich Duitsche troepen bij het Jagershuis.
Het zg. "Jagershuis" is een groote bezitting, gelegen op den beboschten heuvelrand langs den Rijn, dicht bij het Kasteel Doorwerth (halverwege Oosterbeek-Heelsum, Gemeente Renkum), Het huis was een door mijzelf gebouwd vierdeelig complex van bizondere bouworde en bevatte een groot ingebouwd pijporgel en vele objecten van kunst en wetenschap.  Het stond onder Kunstbescherming van den Nederlandschen Staat (No 7619) en was verzekerd voor een courante waarde van fl.255.000,- zoowel tegen brand- als tegen molestschade.
Drie dagen lang doorstonden wij in ons huis groote verschrikkingen, toen werd het op Zaterdag 23 September tot een Duitsche vesting gemaakt: 200 soldaten met een tank en kanonnen voor het huis en op de weide. 's Avonds werd het huis betrokken door een Hauptmann met officieren en manschappen. Wij moesten binnen 10 minuten weg zijn. Maar mochten den volgenden ochtend komen halen wat wij wilden; alles zou worden ontzien.

Wij liepen in het donker en onder nabij granaatvuur den berg op near onze 1,½ K.M, verder wonende buren en namen alleen een klein koffertje met geld, documenten en papieren raea, alsmede dekens en het direct noodzakelijke.
Den volgenden ochtend vroeg konden wij bij het Jagershuis komen. Daar heerschte een verbijsterende toestand: Overal lagen verbrijzelde ruiten en in alle vertrekken sliepen of lagen soldaten en andere aten onze voorraden op. Onze met toestemming van den Hauptmann gereedgezette vluchtkoffers waren gestolen; al onze jassen, mantels en schoenen waren verdwenen; onze kleer-, linnen-, en dekenkasten waren geplunderd; onze voorraad zeep, toiletartikelen enz. was weg; al het beddengoed was door en uit het huis gesleept en vele Perzische kleedjes waren doorgesneden t.b, van afsluiting van vensters.
Beklag hielp niets. Wij laadden een kinderkarretje op en droegen wat wij konden: bij elkaar enig overgebleven dames- en kinderkleeren, een heerenpak, en wat voedingsmiddelen. Toon wij weer terug kwamen had het huis door granaattreffers van buiten en van binnen ernstige schade gekregen. Alle kasten en borg-plaatsen waren, en werden nu onder onze oogen systematisch leeg gehaald: onze auto, onze fietsen, het restant van onze kleeren, linnengoed, dekens, enz,, onzo prachtige weck, onze conserven, onze boter, suiker en nog zooveel meer ALLES VERDWEEN! Maar het huisraad was nog aanwezig. Verdere toegang tot het huis en omgeving werd ons ten strengste ontzegd.

Op Maandag 2 October ging het Jagershuis, nadat het geheel gehavend en allengs gedeeltelijk verwoest was, in vlammen op. Het GEHELE COMPLEX is tot aan den grond toe AFGEBRAND en alleen de hooge schoorsteen van de centrale verwarming bleef overeind staan.

Van 23 Sept. tot 3 Oct. bewoonden wij met de buren waarheen wij waren gevlucht het souterrain en den kelder van hun huis. Al dien tijd was de toestand er afschuwelijk; het huis lag in de vuurlinie, had licht noch water (dit moest uit een regenput bij een verlaten huis worden gehaald en gekookt) en werd herhaaldelijk door granaten getroffen.

Toen het Jagershuis ons niet meer bond, vluchtten wij verder, opnieuw achterlatend wat wij niet konden dragen.
Later bleek ook dat te zijn verdwenen. Wij hadden nu feitelijk niets meer over.
Onze vlucht was vol nieuwe verschrikkingen, maar wij kwamen met ons zevenen op 6 October behouden te Zeist aan als van alles beroofde vluchtelingen die elken "achtergrond" missen, in tegenstelling met "evacuee's" dia altijd wat konden meenemen of anderen die later uit hun verlaten huis weder wat konden redden.

Het ergste is het verlies van ons PRACHTIGE HUIS raat zijn bizondere inventaris en misschien ook de kern van mijn wetenschappelijk geologisch en biologisch werk van vele jaren, dat ik voor zoover dagelijks noodig, had opgeborgen in mijn archief in de ondergrondsche ruimte van mijn orgel (voor zoover niet, ligt het gereed in een Banksafe).
Bij alles wat wij hebben doorstaan varkeer ik daarover in constante angst en leid ik, gerukt uit mijn werk, muziek en beheersactivitait, te Zeist een leven als in een gevangenis.
Voor de vele bizonderheden verwerkt tot een aaneensluitend overzicht, refereer ik aan mijn HERINNERINGSESCHRIFT, gedateerd Zeist 15 November 1944. Dat geschrift, getiteld "Onze Dagen van 17 September tot 6 October 1944", opgemaakt voor gezin, familieleden en vrienden, heb ik eenvoudig gebonden, reeds aan enkelen ter hand gesteld (doen stellen). De zeven exemplaren voor ons gezin, borg ik voorloopig (met stencils) in de safe van de Nederlandsche Handel Maatschappij te Zeist, met het oog die later fraai te doen binden. Dit Relaas maakt als het ware een onderdeel van het Herinneringsgeschrift uit.

Uit het voorafgaande blijkt dat er alleen een kans bestaat dat de inhoud van bizonder gunstig gelegen bergplaatsen voor algehele verwoesting gespaard bleef. Het is echter zeer wel mogelijk dat er niets gespaard, bleef (gebruik van fosfor), of dat wat gespaard bleef, later werd of wordt verwoest.  Hier volgen eerst gegevens omtrent bedoelde bergplaatsen zelf en dan die omtrent den inhoud:

  1. ORGEL KELDER (wel afgekort met O.K.) is de groote ondergrondsche ruimte onder het verlaagde gedeelte van de zaal waarop het orgel gebouwd was. Er bevinden zich de motorkamer, de windbuizen, enz. De overgroote ruimte bleef vrij en daar is op rekken in passende kisten en op en onder dewandtafel, los en in koffers en valiezen mijn archief ondergebracht.
 De kelder is een zware constructie met dubbele wanden, en looden mantel en van binnen met eterniet bekleed (een en ander i.v.m. den orgelbouw); hij is toegankelijk van uit een nis in de zaal, door een practisch gecamoufleerd luik.
Wanneer door brand of explosies de kelder niet is opengelegd, of bij graafwerk niet werd ontdekt, zal de inhoud wel niet geschonden zijn. 

2. ZWARTE KIST is een archiefkist, zwart gebeitst en geplaatst onder de wandtafel in de Orgel Kelder, (Zie overigens O.K.).

3. ZAALKISTEN I EN II zijn speciaal gemaakte zware eiken kisten, met zink gevoerd. Zij zijn op elkaar geplaatst in een houten "keldertje" onder de vloer van de zaal, bij het verlaagde gedeelte. Het keldertje is afgedekt met asbestplaten en gecamoufleerd door een tapijt en daaronder gelegd viltpapier. Wanneer door brand of explosies de vloer in de zaal, die op steenen grondslag rust, niet is opengelegd, of het koldertje niet vanuit de nabijgelegen Orgel Kelder ontdekt werd, zal de inhoud van de Zaalkisten wel niet zeer geschonden zijn.

4. SPECIALE KIST is een groote zware kist met zink omkleed, voorzien van opschrift in Nederlandsch, Duitsch en Engelsch, en ca 1 Meter diep ingegraven achter de Kinderafdeeling van het huis, op het plaatsje bij de waschkeuken (den tuinman Dirk van Grol bekend).
Wanneer door explosies of graafwerk het plaatsje niet is omgewoeld, dan zal de inhoud van de Speciale Kist wel behouden zijn.

5. KOFFERTJE 14 is een zwaar leeren valies (aldus genummerd), het z.g. "documenten koffertje" van mijn reizen. Het is geplaatst in da Orgel Kelder (Zie overigens aldaar).

6. KOFFERTJE 15 is een licht valiesje (aldus genummerd, wellicht is het nummer niet meer te zien), het z. g. "zilverkoffertje" van Saig.  Het is geplaatst in de Orgel Kelder (Zie overigens aldaar)

7. KOFFERTJE W is een licht valies (met kaart W gemerkt). Het is geplaatst in de Orgel Kelder (Zie overigens aldaar).

8. BUSSEN G zijn drie lange breeds dubbelwandige zinken bussen (met G gemerkt). Zij zijn geplaatst tusschen de vaste windbuizen in de Orgel Kelder (Zie overigens aldaar).

9. KOFFERTJE B  is een licht valiesje gedeponeerd in de Safe van de Nederlandsche Handel Maatschappij te Arnhem, Reçu 81359 van 10.2.44: bij papieren te Zeist (Zie hieronder).  Wanneer de Safe gespaard is, zal dit koffertje stellig behouden zijn.

10. BRUINE TASCH (22) is een groote zware leeren tasch gedeponeerd in de Safe van de Naderlandsche Handel Maatschappij te Arnhem. Reçu 8I360 van 19.2.44: bij papieren te Zeist (Zie hieronder). Wanneer de Safe gespaard is, zal deze tasch stellig behouden zijn.  11. VLUCHTKOFFERS zijn kleine en een groot valies inhoudende allereerst noodige kleeren en toiletartikelen (de kinderen hadden rugzakken klaar staan). Zij zijn reeds in de eerste nacht bij de plundering van ons huis (ondanks de verzekering van den Hauptmann) gestolen en blijven in dit Relaas dus verder buiten beschouwing).  12. KLEIN KOFFERTJE BIJ-DE-HAND
is een stevig klein leeren koffertje, steeds bij de hand gehouden om bij vlucht documenten te kunnen bergen die niet op zak zouden kunnen worden gestoken. In het Jagershuis paste ik, onder gebruikmaking van bovengenoemde 12 bergplaatsen en  van mijn WERKBUREAU en mijn TEEKENBUREAU: beide in de Zaal  van mijn BERGBUREAU in het bureaukamertje alsmede van de BOEKENKAST) en de PLATENKAST, beide dito.
Een van OUDE KOFFERS boven de GARAGE,  een uitgebreid SYSTEEM VAN BERGING van DOCUMENTEN, PAPIEREN en CORRESPONDENTIES toe. Ik liet daarbij reeds eenige jaren en in het bizonder sinds Januari 1944 weloverwogen veiligheidsmaatregelen aansluiten.  Ik refereer ten deze aan de betreffende NOTITIES, waarvan zich een serie exemplaren bevindt in een enveloppe bij mijn papieren te Zeist.

Die Notities bestaan uit twee inleidende stukken (gemerkt rood I en rood II) en een recapitulatie (gemerkt rood III), verder uit duplo's van specificaties, reçu’s en verklaringen ter zake.

Stuk I en stuk III zijn door de gebeurtenissen van geen practisch belang meer.  Stuk II wordt hier gedeeltelijk gememoreerd, omdat daar in het gevolgde principe is vastgelegd, juist waar dat nu van practisch belang is geworden. Ik citeer:

I Het gaat in de eerste plaats om extra veiligstelling van Eigendomsbewijzen, Brand- en Molest Polissen, Hypotheken, Effecten, Bankbescheiden van Deponeering en om enige bijzondere documenten betreffende Jagershuis, Wahlhalde en de Stichting Doorwerth, Exadé, Verhouding A.C. Driessen- Th. H. Driessen, inzake Exadé, alsmede om mijn onderhande zijnde "Werk" enz.

II – Alle Origineele Eigendomsbewijzen, Polissen en Hypotheken zijn ondergebracht bij de Bankrelaties: de documenten van Exadé in haar eigen safeloket bij de Ned. Handel Mij. Agentschap Rotterdam; de documenten van Th. H. Driessen in Open-Bewaargeving bij de Ned. Handel Mij. Agentschap Arnhem.

III – Alle 0rgineele Effecten zijn eveneens ondergebracht bij de Bankrelaties, Mantels en Bladen gesplitst over Hoofd- en Bijkantoren: De Stukken van Exadé in Open-Bewaargeving bij de Ned. Handel Mij. Agentschap Rotterdam de Stukken van Th. H. Driessen in Open-Bewaargeving bij de Ned. Handel Mij. Agentschap Arnhem en Amsterdamsche Bank, Bijbank Rotterdam.

IV a -Van alle documenten onder II bedoeld zijn notariële of op andere wijze Officiële Afschriften afgegeven.

Van den inhoud van het safeloket van Exadé is door A. C. Driessen een specificatie in triplo opgemaakt en van de Open-Bewaargeving Th. H. Driessen is door de Bank een Bewijs van Deponeering in duplo afgegeven.

b – Van alle stukken onder III bedoeld is door de betreffende Bank de gebruikelijke administratieve bankstaat ingeleverd en een (categorisch) gespecificeerd “Gewaar–merkt Afschrift, onder vermelding van nummers” en berging in triplo afgegeven.

c – In de Speciale Kist zijn geborgen:

1° – De Officiële Afschriften onder a bedoeld,

2°- een van de exemplaren van de gespecificeerde gewaarmerkte Afschriften onder b bedoeld.

d – In de Administratie Th. H. Driessen en A. C. Driessen bevinden zich de (origineele) gebruikelijke administratieve bankstaten onder b bedoeld. Onder Th. H,]. Driessen en A. C. Driessen bevinden zich de andere exemplaren onder b (en c, 2°) bedoeld te weten onder Th. H. Driessen één exemplaar, Exadé, en twee  exemplaren betr. hemzelf en onder A. C. Driessen, één exemplaar betref., Exadé.
Onder Th. H. Driessen en A. C. Driessen berusten ook een exemplaar van de Specificatie van den inhoud van het safeloket onder a bedoeld (onder Th. H. Driessen 2 stuks).
Onder Th. H. Driessen berusten de twee exemplaren van het Bewijs van Deponeering onder a bedoeld.

V – Gemaakt is een Categorisch Overzicht, bestaande uit van I tot en met VI genummerde, groote bladen, waaróp de voornaamste Vermogens Objecten van Exadé en van Th. H. Driessen voorkomen, categorisch ingedeeld onder de nummers I tot en met 43. Deze cijfers correspondeeren met de betreffende stukken. Het Overzicht vermeldt verscheiden gegevens en plaats van berging en bevat geen Objecten van secondair belang, noch voorwerpen en van, inventaris enz.

Het Origineele Categorisch Overzicht berust onder Th. H. Driessen; een extract komt voor op elke map waarin de documenten geborgen in de Speciale Kist zich bevinden; gelijke, maar afzonderlijk (los) gehouden extracten (mapjes “Financiële Gegevens) berusten nog bij Th. H. Driessen en A. C. Driessen.

VI – De Documenten onder I bedoeld voorzoover niet onder de punten II tot en met V hierboven met name aangegeven, zijn op andere wijze geborgen.

N.B.: dan volgt op het origineel een nadere specificatie welke ik in dit Relaas hiermede verduidelijk, dat ik hierboven reeds de 12 bergplaatsen, welker inhoud vermoedelijk geheel of gedeeltelijk gered is, beschreef en dat ik hieronder de belangrijkste objecten, die daar werden geborgen, categorisch noem.

  ------

Voorop stel ik dat ik hier niet treed in een opsomming van hetgeen definitief als verloren moet worden beschouwd, zooals mijn machtig Orgel, mijn Steinway-vleugel, onze zoo beschaafd klinkende automatische Grammofooninstallatie, onze groote Triptiek van Marco d’Oggione, onze Perzen en Bronzen en zoovele dierbare voorwerpen die nergens geborgen konden worden. Ik memoreer terloops de hooge luusters met albast schalen en paneelen op den achtergrond, naast het orgel, de enorme staande zaallamp met de kap uit een zijden Chineeschen vlag, de tot in de details zelf ontworpen meubels in de eetkamer, de draak aan de wand, de groote staande oud-hollandsche klok, (en op het gebied van het huishouden, onze gehele garderobe en volledige linnenkasten, onze zeer moderne keukeninrichting, onze serviezen en ons kristal, en de kinderen zullen zeggen: vergeet zooveel van ons geliefd speelgoed en het sloydlokaal – met de groote maquette van het Jagershuis -niet) ; verder onze bibliotheek met de veele standaardwerken op het gebied van muziek, bouwkunst, philosofie, biologie en geologie, de groote ”encyclopedie” en vele vak- en leerboeken, benevens talrijke andere boeken van hooge litteraire waarde.
Ik noem hier uit practische overweging alleen datgene wat zich in een van de genoemde 12 bergplaatsen zal bevinden wanneer die niet geschonden zijn:

a. WERK,
De kern wordt gevormd door uitgebreide historische geologische voorstellingen: de groote “GEO – BIO – Grafieken”, met zeer gedetailleerde” Toelichtings – Bladen” , die afzonderlijk bij (naast ) elke Grafiek kunnen worden gelegd. De Grafieken en de Toelichtings- Bladen vormen het eigenlijke “WERK”, zij worden voorafgegaan door een inleidend Woord met Tabellen dat is uitgegroeid tot een zelfstandig deel in boekvorm, waarin tot een philosofisch doordacht wereldbeeld wordt gekomen. Toegevoegd was een uitgebreid AANVULLEND OVERZICHT van GESTEENTEN, PLANTEN en DIEREN. Het geheel noemde ik “WERELD-WORDINGS-BEEED in WOORD, TABELLEN EN GRAFIEKEN”
Het geheel is gereed op het aanbrengen van enkele aanvullingen na en het maken van eenige correcties in de Grafieken. Ik hield derhalve de Grafieken en Toelichtings- bladen steeds bij de hand; van het boekdeel deponeerde ik een exemplaar dat tot 31-12- `43 bij was, in de Safe van de Ned. Handel Mij. te Arnhem, en een dito doorslag in de Speciale Kist, terwijl ik het origineel eveneens steeds bij de handhield, in verband met mijn constant doorwerken aan het toegevoegde Aanvullend Overzicht. Een uitvoerig BRONNEN-REGISTER was geheel a jour.
Daarnaast werkte ik nog aan de groote aansluitende grafieken, die ik mij voorstelde dat later zouden verschijnen en die de Alpen, de Middellandsche Zee en de Historische Tijd behandelen.
Voor verlaten van het Jagershuis borg ik alles in de Orgel Kelder; waar ik het boekdeel (met aanvullingen en correcties na 31-12- `43) in koffertje W legde en de grafieken in de Bussen sloot; de onderhande zijnde Toelichtingsbladen bleven door hun omvang “los”-tusschen de triplex- kleppen liggen, waarnaast het BRONNEN-REGISTER; beide in de O.K. opgesteld.

Ten opzichte van de aanvullingen en correcties in het boekdeel verwijs ik naar het exemplaar in koffertje W, ten opzichte van die in de Grafieken naar de speciale map t.z. in dat koffertje en de potlood notities op de Grafieken zelf; veranderingen op de Toelichtingsbladen zijn terplaatse aangebracht. Overigens had ik nog in bewerking een “Aanvullend Overzicht” dat bij het Geheel kon worden gebruikt door degenen die zich op het gebied van Dieren, Planten en Gesteenten willen oriënteren, zonder afzonderlijk leerboeken of onsamenhangende gegevens te moeten opslaan.
Litteratuur: zie Bibliotheek (alle mij niet toebehoorende boeken waren geretourneerd) en BRONNEN-REGISTER.

b. MUZIEK.
Zie Bibliotheek. Eenige partituren borg ik in de Orgel Kelder.
Eigen muziek: gereed werk, in Zaalkist II en koffertje B;
Lessen Lauber an Pijper in kast in klep Teekenbureau.

c. BOUW ONTWERPEN.
Jagershuis en Wahlhalde: Archief Orgel Kelder.
Diverse ontwerpen: klep Teekenbureau.

d. JAGERSHUIS. Album: Bruin Tasch
Eigendomsbewijzen: origineele Safe Ned. Handel Mij. Arnhem, afschriften Speciale Kist.
Kadastrale Gcgevens enz. : Safe Ned. Handel Mij. Arnhem
Verzekeringspolissen: origineel Safe Ned .Handel Mij. Arnhem, afschriften Speciale Kist.
Belastingen, Administratie: zie aldaar.

e. WAHLHALDE
doos met foto’s : Bruine Tasch
Afgedane zaak, tenzij door de ontwikkeling der gebeurtenissen nog eens mijn rechten-zouden herleven.
Extract van de geheele positie: koffertje 14.
Verdere details: Zaalkist II.

f. KINDER ALBUMS,
5 plus 1 volledig in Bruine Tasch.
g. KINDER FILMS bleven achter in de trommels in de keuken-kelder, waar zij ten behoeve van de houdbaarheid de beste berging vonden.
Het projectietoestel in motorkamer Orgel Kelder.

N.B, Het opnametoestel bleef achter in Tous’ bureau,

h. KINDER FOTONEGATIEVEN eenige in zwarte kist, de meeste bleven achter in Tous’ bureau.

i. KINDER SOUVENIRS Sierkist D-L in zwarte kist.

N.B. Het passende siertafeltje bleef in de zaal achter.

j. FAMILIE PORTRETTEN.
Dé voornaamste in zwartekist.

N.B. Vele andere bleven achter in de plaatenkast.

k. FAMILIE PAPIEREN
gewone correspondentie in bergbureau
bijzondere correspondentie in ZAALKIST II
Geschrift Fam. Driessen in Zaalkist II
Stamboom van Oldenbarneveld genaamd Witte Tullingh bleef achter in Tous’ bureau
andere categorieën: Zie elders.

l. REIS SOUVENIRS
groote reis 1925: -Speciale Kist en Bruine Tasch
Vesuvius: Zwarte Kist
groote algemeene collectie bleef achter in platenkast.
bepaalde voorwerpen: Zié elders.

m. CERTIFICATEN (onderwijs, enz.)
verdeeld over Speciale Kist, Zwarte Kist, Koffertje B
(triptiek) en deels gesloten in bergbureau.

n. SIERADEN, GOUD EN ZILVER
eenige zeer waardevolle sieraden in Speciale Kist (geen zeer groote waarden)
eenige niet zeer waardevolle sieraden in Zwarte Kist, barnsteen collectie in Zwarte Kist
gouden tientjes (K.m.h.h.) en gouden 20 dollarstukken in gouden beursje in “Klein-koffertje – bij – de-hand”.
gouden manchet knoopen en dergelijke; zijn bij de plundering van de kasten verdwenen.
Zilveren guldens en rijksdaalders in blikken trommels ingegraven bij draaitentje.

o. HUISHOUD ZILVER
de Jenssen- collectie en het meeste tafelzilver in de Orgel Kelder (o.m. in koffertje 15)
eenig oud zilver dito
het overige zilver bleef in dressoirs.

p. A. DRIESSEN

dé volledige hoofdmappen “Overgang van Zaken” in Zaalkist I
laatste notulen en laatste balansboek in Speciale Kist.

N.B, de oude hoofdboeken, voor zoover niet verloren bij de ramp van Rotterdam in 1940 berusten onder de accountants Moret en Starke. Correspondentie na afwikkeling overgang: werkbureau en bergbureau.

q. EXADE (= Ex. A. Driessen, n.l. continuatie N.V. als familie- beleggingsvennootschap) Jaarrapporten in Zaalkist I.
Notulenboek en zakelijke regeling A. O. Dr. – Th. H. Dr. In koffertje 14
Map Situatie (onafgewikkelde verwikkelingen beleggingen) in Zaalkist I
loopende zaken in werkbureau (hieronder afsluiting boek 1943, opzet belastingen en opzet liquidatie, huizen, exploitatie, beleggingen en effecten).

r. STICHTING DOORWERTH
Geschiedenis en Notulen Boek in koffertje 14
Acten en bijbehooren, hoofdboeken en processtukken in Zaalkist II een extract hiervan ook in koffertje 14.

s. BELASTINGEN
afgeloopen laatste jaren en loopende in werkbureau
– de – oude jaren in bergbureau
Opzet mij komen de restitutie i.v. verrekening v. d. groote onkosten Jagershuis: a nieuw, b oud, c proces Stichting
(fout Donath) in werkbureau, maar het verzoek was reeds ingediend bij de Inspectie te Arnhem en de Inspecteur Verkerk zeide welwillende behandeling toe,
 Exadé: zie Exadé.

t. CURATEELE EN EREENIS JOLLY
hoofdmap en extract van de geheele zaak in Zaalkist I
alle andere mappen in oude koffers Garage,

u. BROCHURE “WIJ” enz.
hoofdmappen in Zaalkist I
Overigens in oude koffers garage.

v. ADMINISTRATIE
deels zie: A.Driessen – Exadé Stichting Doorwerth –
Belastingen -Jolly,
Bankzaken in betr. mappen: loopend werkbureau
afgedaan Archiefkisten Orgel Kelder
huizen in betr. mappen; werkbureau (Wolzak, Vlasveld en zelf)Jagershuis;
loopende werkbureau
afgedaan bergbureau hieronder quitanties en rekeningen- de – terrein werkbureau (Voorhoeve)
huishouden; loopende werkbureau en afgedaan bergbureau oud in oude koffer garage

N.B. Administratie Exadé onder A. C. Driessen en de accountants Moret en Starke.
Zie overigens onder Exadé.

w. LOOPENDE ZAKEN
voor zoover niet vallend onder a-v hierboven, steeds in werkbureau en daarvan werd alleen “uitgenomen” voor vertrek en gelégd in de Orgel Kelder:
een opzet i. z. Exadé (belastingen en liquidatie) een opzet i.z. Belastingen(retitutie enz.) een stapeltje met allerlei notities en een Nocturne voor Viool en Piano (nagenoeg gereed), hetgeen nog werd geborgen in de Orgel Kelder,

N.B. De vele mappen over nog steeds voorkomende aangelegenheden
(Geldersch landschap, Aanmeldingen, Zwitsersche Beleggingen, Brandstof, voorziening, Electrische stroom, Houtlevering.
Notarissen: van Meurs, Bos., Coster; Mr. Blom; Accountants: Zegwaart; Dubbelman; A. C. Driessen, Voorhoeve enz.) bleven in mijn werkbureau achter.

x. EENIGE LOSSE VOORWERPEN
voor zoover niet genoemd onder a-w hierboven werden geborgen in de Orgel Kelder- grammofoonplaten – groote bronzen Tempelwachters – kleine houten “Balineesche leeuw – het Chineesche altaar-schermpje -ivoortjes, jade en barnsteen – objecten-.

N.B. Verder diverse voorraden schrijfpapier o.a.2500 foliovel voor mijn Werk, (speciaal toegewezen door van Gelder) enveloppen (duizende) en schrijfbehoeften van allerlei aard) enz. dan vele blikken conserven ( o. a. gecondenseerde melk) en kistjes, pakken en bussenkoffie, thee, cacaopoeder, melkpoeder, rijst, meelsoorten en puddingpoeder, suiker, flessen slaolie, levertraan, stukken waschzeep, kaarsen enz, en ook nog eenige goede fietsbanden (w.o. een nieuwe buitenband) en een restant prima wijn (ingegraven opzij van het gangetje).

y. CONTANT GELD
 zie onder letter n, overigens op zak
Achtergelaten werd alleen een bedrag van eenige honderde guldens:
kasgeld bureau Tous, spaarpotten kinderen (gestolen bij het plunderen van de kasten), eenige bussen met kwartjes en dubbeltjes in de zaal (hoek radiator)
 Gedeponeerd in Safe “Jacoher” 20 biljetten van f 100,- in het “Kleine-koffert je-bij–de-hand”.

z. DOCUMENTEN “MEE” in portefeuilles, enveloppen, bureautje Zeist enz.
voor zoover van belang hier te noemen.
Persoonsbewijs – Distributiebescheiden (vaak onder Tous) –
Verklaring Kunstbescherming Jagershuis – Notities genoemd bij de behandeling van mijn Systeem van Berging(specificatie bij enveloppe) en daarbij aansluitend mapje “Financiële Gegevens”- Reçu Safe Ned .Handel Mij. te Zeist –
Exemplaren Herinnneringsgeschriften achtergelaten in Safe “Jacoher”
“Klein-koffertje-bij-de-hand” met groote portefeuille waarin oude legitimatiepapieren enz., en ook ons trouwboekje
– het categorisch Overzicht – zie verder onder letter y

ALGEMENE OPMERKING
Voorop werd reeds gesteld dat in dit Relaas niet wordt getreden in een opsomming van verloren zaken (al moest in het gevolgde categorisch verband worden aangestipt wat in werkbureau, teekenbureau, bergbureau en oude koffers verloren ging), maar in de ruïnes van het huis zal wellicht, behalve van de metalen van bouw en installatie en naast hetgeen in dit Relaas als behouden moest worden beschouwd, nog iets te vinden zal zijn van:
de Bronzen uit de zaal – andere Kunstobjecten bv.; van ivoor, jade, barnsteen, porcelein en glas – de electrische apparaten van het orgel (klein) van de grammofoon (versterker), van de automatische oliestoker (zeer teer en afzonderlijk geborgen in het orgel zelf) en misschien óok van sommige boekwerken (niet geheel verbrande deelen). VERVOLG nadat het volkomen verlies overzichtelijk is geworden.

  --------------------------------------

– 15 November 1946 –

Het voorafgaande gedeelte was geschreven 1 Febr. 1945, in Aansluiting bij mijn Herinnerings-Geschrift. Het was volkomen juist totdat bleek dat alles, ook de geheele Orgelkelder was verdwenen.

Ik memoreerde dat in een Aanvulling van Gen. Geschrift dato 22 Mei 1945 en recapituleer thans ( na terugkeer uit Zwitserland ) bij een nieuwe Aanvulling van `t gen. Geschrift hierbij eenvoudig het volgende.
Wat wij bezaten is nu overzichtelijk ; wat wij behielden IS:

1. de SPECIALE KIST nr. 4, (pag 4) met inhoud = officieele geschriften vermogens-objecten (nu van geen belang meer daar de originele stukken bij de Bank behouden bleven) en een “exemplaar” boekdeel” Werk, dus de Inleiding ( bij tot 1- 1- `43) benevens eenige sieraden.

2. de INGEGRAVEN Guldens en Rijksdaalders bij het oude Draaitentje nl. f 500,- ( pag. 9, alleen laatste alinea van punt “n”).

3 . KOFFERTJE = nr. 9 ( pag 4 ) met inhoud = duplicaat, Inleiding “Werk” (Zie hierboven 1) plus toevallig eenige duplicaatbladen Eigen-Muziek ( rest = Zaalkist II en Bureau =verloren).

4. BRUINE TASCH = nr 10 ( pag 4 ) met inhoud Tous’ Kinderalbums + Foto’s Jagershuis en Wahlhalde en toevallig nog eenige kleine dingen (dagnotities “Groote Reis” ) ter opvulling bijgevoegd.

VERDER is ALLES VERLOREN, dus ook Koffertje W, (loopend Werk), Bussen G ( alle Grafieken ) Triplexkleppen – ( Alle Toelichtingsbladen, waarnaast de Bronnenregisters)- Alles in de Orgelkelder. Zelfs het “Koffertje-bij-de-hand” (direct noodige bewijsstukken en f 2000,- in bankpapier) is verloren in Huize Jacoher waar de safe werd geforceerd.

MOLESTSCHADE.
Alle onroerende goederen toebehoorende aan mijzelf en aan de N.V, Exadé zijn ten volle tegen brand en tegen molest verzekerd. Alle gegevens daarover zijn te vinden in het « Categorisch Overzicht ” aen aansluitend mapje “Financieele Gegevens”.
Ten opzichte van de mij persoonlijk toebehoorende onroerende goederen memoreer ik t.z .v . de molestverzekeringen: de origineele polissen zijn gedeponeerd in Openbewaargeving bij de Ned. Handel Mij., kantoor te Arnhem (Reçu 5750 van 7/2 44 bij papieren teZeist); de orgineele afschriften van de polissen zijn uit de Speciale Kist genomen en in mijn bureau te Zeist geborgen.
De verzekeringen zijn afgesloten door de Ned. Handel Mij. te Arnhem.
De verzekeringen van de Blokken, panden en alleenstaande huisjes te Oosterbeek zijn alle ondergebracht bij de Onderlinge Oorlogs-schade-verzekering maatschappij (O.O.M.). Zij blijven hier verder buiten beschouwing.

De verzekering van het Jagershuis is als volgt verdeeld:
a. Opstallen (zonder orgel) ,”   f 125.000-  bij de “O.O.M.” afd.A f 50.000,- Polis A 320349 bij Renovatum” f 50.000,- Polis O.S.2216  bij de “Molest Onderlinge” f 25.000,- Polis B 5316.
b. Inventaris (zonder orgel)   f 100.000,- Bij de “O.’O.M.” afd. B Polis 407044.
c . Het Orgel    f 30.000,- bij de “Molest Onderlinge” Polis B 4463. Bij afsluiting van alle verzekeringen verklaarde de Ned. Handel Mij. te Arnhem mij, dat de maatschappijen prima waren, dat de verzekeringen de objecten op beste wijze en volkomen dekte, dat de Ned. Handel Mij. in geval van molest voor mijn belangen zou opkomen en die behartigen zonder dat ik zelf daarbij zorgen behoefde te hebben.

De Schade-bedragen voor de Bezitting “Het Jagershuis” beloopen:
I Opstallen., . . . . f 164.210,- ) uitgebrachte Taxatie
Inventaris. . . . . – f 161.764,- ) uitgebrachte Taxatie
Orgel , . . . . . … .  f 30.000- ) uitgebrachte Taxatie

II Terrein en Bosschen – f 87.350,- aangifte (nog geen taxatie)
Ten opzichte van I hebben de Molestmaatschappijen de volgende bedragen als basis hunner vergoedingen erkend:
Opstallen, totaal dus f 125.000,-
Inventaris          f 100.000,- (becijferd op f 99.170,- i.v. met geredde kleeren)
Orgel              f 30.000,-
De vergoedingen zelf kunnen nog bij geen benadering worden begroot noch die van den Staat, noch die van de Molest

DE STRIJD OM HET RECHT concentreert zich om hetgeen ik heb vastgelegd in mijn Artikel ” Staat en Oorlogsslachtoffers” (waarvan hierbij één exemplaar plus extract). Alle gegevens betreffende alle schaden berusten in mijn administratie-map “Oorlogsschaden”, bij de Nederlandsche Handels Mij. te Arnhem.

In een uitgebreide opsomming van bezittingen die bij de verwoesting van het Jagershuis verloren gingen tracht hij grond te geven aan zijn klacht dat hij m.b.t schadeloosstelling uiterst onfatsoenlijk werd behandeld.


 -------------------------------

HB: Zie voor meer info: link. Hier staan ook enkele brieven in die niet door Th.H. Driessen in de tekst hierboven zijn opgenomen.

De tekst is middels OCR software overgenomen. Daardoor zijn er meerdere typo's ontstaan. Toegevoegd of verduidelijkt: de dag en datum.
Heeft u aanvullingen, verbeteringen, graag:
  mail Hans Braakhuis
gebruikte bronnen:

Het NIOD dagboek.