Hans Braakhuis

home
Oosterbeek

oktober 2022
Kenmerken van de Renkumse dorpen.
  Naar E.J. Demoed, Van een groene zoom aan een vaal kleed. Geschreven in 1953:

De bevolking is zeer gevarieerd, en is voor vrijwel elk dorp weer anders. Renkum heeft in hoofdzaak nog een kern van oude families, waarvan er velen in de papierindustrie werkzaam zijn of waren. We vinden dan ook hier wel de sterkste dorpsgemeenschap van de hele gemeente. In Heelsum ging de dorpsgemeenschap dit vrijwel verloren door het grote percentage van vestiging van buitenaf. Hier treffen we dan ook een conglomeraat van velerlei typen en soorten mensen. Wolfheze is geheel georiŽnteerd op de Psych. Inrichting en vormt dus een belangengemeenschap. Sinds de re-evacuatie is ook hier meer een toevoer van buitenaf gekomen, zodat dit dorp zich meer als een villadorpje gaat ontwikkelen.
Heveadorp is eveneens een belangen-gemeenschap, omdat alle mannelijke bewoners employť van de N.V. Rubberfabriek Hevea zijn.

Doorwerth heeft als een jonge nederzetting geen enkele culturele bevolkingswaarde. Een gemeenschap als zodanig bestaat hier niet.

Oosterbeek heeft, evenals Renkum, nog een kern van oude families in zich, welke echter geheel door de import — vooral na 1850 —, overwoekerd zijn. Hierdoor is in Oosterbeek niet meer die dorpsgemeenschap, die Renkum
kenmerkt. In hoofdzaak bestaat Oosterbeek uit een mengsel van personen, afkomstig uit allerlei oorden van ons land, waaronder veel van Friese origine. Ondanks dit alles bleef in Oosterbeek toch nog een eigen dialect gehandhaaft, hetgeen in sommige opzichten aan het verwante Arnhems doet denken.

Ook in Renkum kan min of meer van een dialect gesproken worden, hoewel hier de uitspraak over het algemeen 'plat’ is en veel aan het taaleigen van Z.O.- Utrecht doet denken.
Over de eerste geschiedenis van Oosterbeek is weinig bekend. Het was geen goed van de graven van Hameland en daardoor zijn er vrijwel geen oude beschrijvingen terug te vinden. Veelal begint de de geschiedenis van Oosterbeek met de tekst: er waren enkele kleine boerderijen.

Op 25 december 834 regelt priester Bernoldus in Ostbac namens de Utrechtse bisschop Frederikus de overdracht van hoeven, waterlopen, mannen, weilanden en bossen in Arnhem en Oosterbeek door enkele lokale heren aan de St. Martinus kerk in Utrecht.
Ostbac is de vroegste benaming voor de nederzetting; later wordt Oosterbeek ook Haisterbach, Hosterbach, Ostbac, Hostbac, Osterbac, Oosterbeeck, Oisterbeeck genoemd.
In de 10e eeuw werd aan de huidige Benedendorpsweg een stenen kerkje gebouwd waarvan enkele delen nog steeds bestaan.
Oosterbeek
Een uitsnede van een kaart de Tien percelen in het Koenenbosch tussen Oosterbeek en Wolfheze, dd. 20 october 1569 van Thomas Witteroos. De kerk van Oosterbeek staat er duidelijk op.
Demoed veronderstelt dat er voor de bouw van de 10de eeuwse stenen kerk in Oosterbeek er al een houten kapelletje was, als gevolg van de prediking van Willibrord, Bonifacius, Werenfried en Liudger.
Oosterbeek
Een uitsnede van Gelders Archief 1404-0001 Caerte van des Landschaps Hegge[n] gelegen onder Oosterbeek en de heerlijkheyt van den Dorreweert, van outs genaamt de Coenen Bossen..., 15 december 1702
In 130 jaar is Oosterbeek niet echt gegroeid. Vergeleken met de kaart hierboven.
De gemeente Renkum is ontstaan uit de samenvoeging van het rechtsambt Renkum en het rechtsambt Oosterbeek, in 1573. Toen werden de twee ambten ťťn en de gemeente kreeg de naam Renkum. Omdat Doorwerth destijds een heerlijkheid was, bleef Doorwerth buiten de gemeente Renkum.
Domein gronden

rond 751 - 1795

In de Karolingische tijd (751 tot 987),  was het de koning die zich het recht aanmatigde van de onbeheerde gronden, 'bona vacantia’, wildernissen en woeste gronden. Ook de lagere landsheren, de graven, maakten op dit regaal aanspraak, hetzij krachtens uitdrukkelijke verlening door keizer of koning, hetzij krachtens usurpatie. Zo heeft ook de graaf van Gelre op de Veluwe de eigendom van de wildernissen aan zich getrokken. De Veluwe bestond grotendeels uit zeer onvruchtbare grond, waarvan in oude tijden door de dun gezaaide bevolking dus weinig in cultuur gebracht was.

Toen eenmaal de graven macht en rijkdom als voornaamste grootgrondbezitter voldoende gestegen
was om ook zijn landsheerlijke macht krachtig uit te oefenen, kon hij derhalve grote oppervlakten grond onder zijn heerschappij brengen. Daarnaast, doch zonder dat een scherpe grens te trekken valt, hebben de door hem verworven domeinen ook woeste grond omvat. Er zijn zelfs schrijvers, die in de gehele Veluwe ťťn domein van de graaf hebben gezien. Lees Van Spaen; Inleiding Geschiedenis Gelderland; blz. 169.
Gebruikelijk was dat een graaf door aankoop van goederen en landerijen zijn bezit en macht vergrootte.
De Veluwse wildban geeft de graaf inkomsten, het zogenaamde ruimgeld. Dit was een belasting, die eens in de vier jaar, nl. elk schrikkeljaar betaald werd, en die geÔnd werddoor de zgn. wildforsters. Het bedrag van het ruimgeld was sinds het midden der 14e eeuw steeds even hoog.

De rekeningen van na 1543 laten zien dat door alle huislieden op de Veluwe betaald voor het gebruik van de woeste gronden en wegen van de landsheer, waarin ieder goed zijn deel moest betalen, naar gelang
van de grootte van het bedrijf en het aantal vee.

In het westelijk deel van de Veluwezoom inde de bosmeester extra belastingen, verschuldigd b.v. wegens het schapen houden en plaggen maaien op desheren velden. Waar echter de schapen en plaggenmaaiers stelselmatig geweerd werden, bleef uiteraard het natuurwoud bestaan, zulks in tegenstelling tot de hiervoor genoemde woeste gronden. Deze natuurwouden dienden dan als voorraadschuur van brandhout voor de grafelijke keukens. Vooral in de Doorwerthse - en Oosterbeekse heggen werden de schapen beperkt, om het bos ten behoeve van de hertog in stand te houden. Door de bescherming dezer bossen veranderde hieraan vrijwel niets, zulks in tegenstelling tot de woeste gronden, die in de loop der eeuwen regelmatig in eigendom of erfpacht uitgegeven werden, om daarvan bouwland te maken.
De toenemende uitbreiding van de bevolking in de Veluwezoom, werden de bossen beschermd en de woeste gronden werden steeds geringer van oppervlak door de ontginningen. Vooral in de tijd van Willem van Kleef, de hertog van Gelre en keizer Karel de V werd veel woeste grond ontgonnen.
De domeinbossen zijn na de afzwering van de laatste hertog in 1581 overgegaan aan de Landschap van de Staten van Gelderland. De domein gronden werden namens de Staten beheerd door de Rekenkamer te Arnhem, sinds  1559.

Tot het recht van jurisdictie van de Staten behoorde o.m. ook de gruit of het bieraccijns, het molenrecht en het jachtregaal. Dit laatste recht is ook een der hinderpalen geweest in de verhouding van de Rekenkamer tot de heren van Doorwerth, vůůr dat de limietscheiding van 1712 werd vastgesteld. Zo werd laatstgenoemde in 1644 gedaagd om zijn recht te bewijzen om binnen zijn heerlijkheidsgrenzen in het domeinbezit te mogen fretteren en konijnen te vangen.

En wat het molenrecht aangaat, uit de rekeningen van de rentmeester van Veluwe over 1633/34 blijkt, dat de Landschap jaarlijks 6 molder rogge ontving van de heer van Doorwerth wegens een „vol molen” te Oosterbeek.


Van ontginning op enige schaal van de onder de gemeente Renkum gelegen woeste gronden is niets bekend. Behalve de 11 morgen, die in 1567 onder Wolfheze uitgegeven werden, zijn verder geen uitgiften uit die tijd bekend.
Wel vinden we na 1650 verschillende uitgiften van bossen, zijnde kleine gedeelten van de verspreid liggende Oosterbeekse heggen Swyersdall en Boxoort.

Het blijft echter steeds om kleine stukken gaan. Intussen werden omstreeks 1560 pogingen aangewend, om in het algemeen de domeinbossen op te heffen uit de toestand van verwaarlozing, waarin ze verkeerden. Men wilde nl. weten of het mogelijk zou zijn, schaarbossen en bossen van opgaande bomen te planten op terreinen, die tot dusverre niet in cultuur gebracht waren. De bosmeester verklaarde, dat de Mofft (tussen Renkum, Wageningen en Ede een schaarbos was, waaruit hij de schapen verdreef, doch dat het overige deel woest lag, omdat die van Wageningen, Bennekom, Manen en Harten er gebruiksrechten hadden.

Langs de Veluwezoom tussen Wageningen en Arnhem lagen, grote gebieden domeinbezit. Op Wagenings gebied lag dan de zojuist genoemde landschapshegge de Mofft, en oostelijk daarvan de uitgestrekte
heetvelden van Renkum. Tussen Doorwerth en Oosterbeek lagen de bossen van de heren van Doorwerth en meer noordelijk daarvan die van het klooster Mariendaal.

De bossen waren dus de brandhoutbossen voor het hertogelijke (sinds 1543 stadhouderlijke) hof te Arnhem. In de middeleeuwen werd het beheer hierover gevoerd door een boswachter, maar sinds 1500 was dit opgedragen
aan de rentmeester der domeinen op de Veluwe. De bosmeesters hadden sinds 1500 slechts alleen het politie-toezicht tot taak. Zij waren belast met het weren van onbevoegden en het verdrijven van vee uit de bossen, en het opsporen van de schuldigen aan houtbeschadigingen.

Om echter terug te keren tot de heggen van het Oosterbeekse Koenenbos, deze werden in 1676 voor het laatst voor 20 jaren verpacht; maar daarna werden zij door de Rekenkamer in eigen beheer genomen. Sinds 1702 zijn zij daarop jaarlijks geinspecteerd. Jaarlijks werden per koets tochten ondernomen ter inspectie, waarbij steeds bij de Oosterbeekse heggen begonnen werd. N.a.v. deze persoonlijke bezichtiging besliste de Rekenkamer dan over de herstellingen en de aanleg van bossen, van oeverversterkingen, en de verkoop van hout, en dergelijke maatregelen.
De rekenmeesters legden zich vooral toe op de instandhouding van het akkermaalshout, waarvan geregeld verkopingen werden gehouden, doch ook in de aanleg van lanen van opgaande eiken en beuken hadden zij veel liefhebberij.

De dennenboom als boomsoort wordt in de verslagen uit 1793 voor het eerst genoemd, toen 4 morgen zeer slecht akkermaalshout bij het Stenen Kruis zou worden omgezet en met jonge dennen uit de dennenkampen ingepoot.

In de Franse tijd werd op 11 Februari 1795 bij besluit van de Landdag, de Rekenkamer opgeheven, en werden haar werkzaamheden voorlopig opgedragen aan het Prov College van algemeen welzijn en finantiŽn.
Nadat in 1812 reeds een grote verkoping het domeinbezit had doen slinken, werd van 8-12 October 1838 de derde en laatste veiling hiervan gehouden. Als gevolg daarvan, verdwenen toen ook de onder Oosterbeek gelegen heggen, waardoor sindsdien ook in onze gemeente geen domeingronden meer aanwezig zijn. In 1831 was er nog 1060 ha eigendom der domeinen, alsmede 65 ha die in erfpacht uitgegeven waren ; dit betekend, dat toen nog ongeveer 40% van de oppervlakte der gemeente domeinbezit was, terwijl 13 jaar later geen enkele ha meerin bezit was.

De Oosterbeekse heggen en domeinen zijn geveild in uitterlijk 1838. Reden was de slechte financiŽle toestand van ons land. De domeinen waren bij de wet van 27 December 1822 in handen gesteld van het Amortisatie-syndicaat, om gelden te verwerven waarmee de staatsschuld verminderd kon worden.
Dusinckhof

rond 1335 - 1433

De Dusinckhof is een hoeve onder Oosterbeek (Gelre LXVI 11 (1974/75) 18)

Volgens Verkerk (De Geschiedenis der Neder- Veluwe, Deel 1 Ede en Omstreken, 1888)  is de  Oosterbeekse hoeve de Dusinckhof van de heren van Gelre wellicht te identificeren met het oorspronkelijke bezit van Adela van Hamaland, het latere landgoed de Duno.

De thinshof Dusinckhof bij Oosterbeek, is in bezit van de landheer. Als zodanig behoort ook deze hof dus tot het domeinbezit. Deze hof heette de Dusinckhof, en reeds dadelijk moet opgemerk worden, dat we over deze hof slechts zeer fragmentarische gegevens hebben. Uit de tynsboeken blijkt, dat de Dusinckhof aan de heren van Gelre toebehoorde, en dienst deed als een soort betaalkantoor voor de onder Oosterbeek en Arnhem behorende tynsen.
Van deze hof kreeg de Graaf in 1335 de derde garf, d.i. het derde deel der opbrengst van de landerijen. Of een horige hier de gebruiker van het domeinbezit was, blijkt niet. Wel werden, zoals gezegd, in die hof tynsen betaald, die waarschijnlijk betalingen in geld van horigen waren, want zij werden geboekt „inclusies denarius capitalibus”. Op deze wijze ontving dus de heer of graaf van Gelre indirect de inkomsten van zijn bezittingen in Veluwenzoom.
Want doordat sinds de eerste helft van de 14e eeuw veel woeste grond ontgonnen werd, ontving de heer zijn inkomsten niet meer direct van goederen in eigen beheer, doch indirect uit betalingen, de hij van zijn horigen, tynslieden en pachters, ontving als recognitie voor het gebruik van de gronden.

Hoewel betaalkantoor, blijkt toch weer niet alle tyns in de Dusinckhof betaald te zijn. Zo werd in elk geval in 1433 aldaar geen hoofdgeld geÔnd. Hoewel op St. Maarten 1433 te Oosterbeek door 11 personen elk een „alt moirken” betaald werd. Deze tyns ‘was de zgn. hoofd- of hoftyns, welke een horige eens per jaar moest betalen als erkentenis van zijn horigheid. Blijkbaar was er dus nog een hof onder Oosterbeek. Het jaar tevoren had eveneens een betaling te Oosterbeek plaats gevonden, en wel voor 19 hoends, die eigenlijk als tyns aan de hertog verschuldigd waren. Deze tynsboeken, bewaard in het archief van de Rekenkamer, maken ons ook niet direct wijzer omtrent de Dusinckhof.
Oosterbeek
Thomas Witteroos tekende in 1570 een kaart van het Koenenbos in Oosterbeek. Dit is een gerestaureerde uitnede er van. Geheel rechtsonder is het Stenen Kruis te zien, tegenwoordig is er een straat naar genoemd. In het midden is het Swijersdaal herkenbaar. Aan de linkerkant is een kavel herkenbaar aan de naam Bentinck, de Bentincks hadden kavels uit Het Goed te Aa tot aan Oosterbeek.
De Gelderse Rekenkamer stond voor de exploitatie van akkermaalshout. Doch in 1770 stond het hout er ongemeen slecht bij en de heide won hand over hand veld. Aan deze toestand kwam eerst een einde, toen tussen 1826 en 1838 deze bossen door de Staat, aan wie de Gelderse domeinen waren overgegaan, aan particulieren werden verkocht. De aloude "heggen” kwamen zo in particulier bezit, en deze nieuwe eigenaren hebben de aanplant van nieuw bos krachtig ter hand genomen. Tegenwoordig zijn de oude heggen zo geod als verdwenen of er is een bos met een andere naam. Zo zijn de Aardakker, de Boefheg, de Haag en de Homoetsche heg een deel geworden der Valckeniersbossen. Soms zijn de oude namen als Bilderberg, Zonnenbergsche heg en Zilverberg nog bewaard gebleven. Andere namen als de Ragheg. de Ratstaak, de Koedel en het Keldertje zijn verdwenen.
Oosterbeek
Boxoord

Kijk eens bij het Gelders Archief naar deze kaart: Tien percelen in het Koenenbosch tussen Oosterbeek en Wolfheze, 20 october 1569 Het noorden is aangegeven, MariŽndaal is aangegeven, het zuiden is vermeld. Herkennnen we de huidige Benedendorpsweg, met de oude kerk? De gronden van Bentinck zijn aangegeven, dat klopt. Een schuur met de tekst: "Dit cot behoort die heer van den Dorewaert". Ten zuiden van MariŽndaal tot aan de Rijn, inclusief de Oude Kerk, er is in 1596 slechts ťťn schuur in wat nog Oosterbeek moet worden. De kaart zal niet gemaakt zijn voor weergave van het dorp Oosterbeek. De titel duidt daar al naar.
De Utrechtseweg was in 1570 een naamloze landweg naar Arnhem. Het dorp Oosterbeek lag gesitueerd rond de oude kerk. Vanwege het klooster MariŽndaal werd de Utrechtseweg meer en meer gebruikt en werd het aanzien opgeleukt met een eiken beplanting. In 1820 werd de Utrechtseweg verhard en rond 1855 komt er een trambaan.

Gemeentetram als de Oosterstoomtram Lijn 1 tot aan Kievitsdel.

Vanaf 1885-1887 reed een tramdienst over de Utrechtseweg vanaf Wageningen naar Arnhem. Een zijspoor vanaf Kievitsdel naar Heveadorp werd vanaf 1924 door middel van een electrische tram geŽxploiteerd. Deze volgde het trace van de Van de Molenallee.

. In die tijd verrezen aan de Utrechtseweg veel herenhuizen, landhuizen en villa’s. Begin 1900 veranderde de weg van een villalaan in een winkelstraat. Hiermee begon de Utrechtseweg de Benedendorpsweg te overvleugelen, om zo uit te groeien tot het centrum van Oosterbeek.
In 1924 komt er een aftakking. Vanaf de Grindweg, via het Benedendorp naar Doorwerth en Kievitsdel. Uitvoerder is de TOL: Tramwegmaatschappij Oosterbeek Laag - Doorwerth. De Grindweg is tegenwoordig de Jonkheer Nedermeijer van Rosenthalweg.
De dienst op de TOLwerd geŽxploiteerd door de NBM, en ging in 1937 over naar de GETA (Gemeente Trambedrijf Arnhem)
Oosterbeek Een prent gemaakt vanaf de Ploegseweg. Op de voorgrond de huizen aan de Beneden-Weverstraat. Op de achtergrond een vrije impressie van de villa's Oorsprong, Hemelsche Berg en Pietersberg. Vervaardiger?  Het GA noemt Johan Conrad Greive j.r. en of Frederik Hendrik Weissenbruch. Datering: 1858

De tekenaar J.C. Greive Jr. zou zich met de hout- of steendruk gebaseerd kunnen hebben op een schets van Weissenbruch.


  Wel vfrrr