Renkum

Van Graafschap, klooster, Grunsfoort, Corthenberg, Keijenberg en Quadenoord.
Hans Braakhuis

  oktober 2021
Renkum of Radengheim, Radenghem, Radighem, Radinchem, Ratincheim, Rechem, Redichen, Redichem, Redincghem, Redinghem, Rijnkom, Rinckom.

Voor Karel de Groote waren er in Redichem Graven van Saksische afkomst. Dat waren de Graven van Hameland. In of bij Redichem hadden zij waarschijnlijk een houten burcht, maar de exacte
plaats is niet bekend.

Eén van deze graven was een zekere Graaf Wichman. Daar er geen mannelijke erfgenamen meer waren, droeg zWichman zijn Vlaamse lenen over aan zijn neef en zwager Dirk II van Holland en hij stichtte het Sticht Elten.
Wichman's jongste dochter Liutgard werd er abdis en Wichman schonk twee derde deel van zijn persoonlijke bezittingen aan het klooster en droeg alle grafelijke rechten op het klooster over. Voor de oudste dochter Adela (boze Adele), bleeef er slechts 1/3 van de erfenis over en ze weigerde dat te accepteren. Daarom liet Wichman de schenkingen bevestigen door de keizer. Adela heeft tot in 996 met haar man Graaf Balderik, tot aan het keizerlijke hof procedures gevoerd, en kreeg aldus toch de helft van de erfenis toegewezen.
Wichman had  vermoedelijk in Redichem een houten slot, dat gestaan heeft, naar men wil, op de plaats, waar in de 15de eeuw het bekende nonnenklooster van de Augustijnerorde zich verhief, in de thans nog bekende Kloosterweide, niet ver van de door St. Willebrordus daar gestichte houten Kapel, welke na 1000 door een fraaie kerk werd vervangen, die na 1864 werd afgebroken. Hoe onzeker de woonplaats van Imad en Adèle, later Balderik en Adèle is, blijkt uit het vermoeden dat deze personen op de Doorwerth, op het slot Grunsfoort, als op de Dunohoogte hebben gehuisd.

Vanwege de vastgelegde schenking weten we dus dat er 970 een hof te Redichem bestond.

Van Capel, naar klooster, Corthenberg, Keijenberg en Quadenoord.

Renkum in 1732

Rond het jaar 1000 is er een kerk in Oosterbeek, Wolfheze en een kapel in Renkum.

Zo rond dat jaar was er aldus ook wel een kerkpad van het voetveer bij Kasteel Doorwerth naar de kerk in Wolfheze. Of er al een versterking op Doorwerth was? Formeel wordt Doorwerth voor het eerst in 1260 beschreven. Maar in het boek "De Zuidzoom in de Middeleeuwen V", van Henk Jansen, uit 2020, gaat de auteur ook verder terug dan 1260.


De Seelbeek bij Heveadorp wordt voor het eerst genoemd in het jaar 839 bij de schenking van een Hof aan de Seelbeek aan het klooster van Lorsch door ene Magofrid.

Naast het klooster met bedevaartkapel, heeft Renkum ook een kerspelkerk gehad, die terug gaat tot in de verre oudheid. Reeds voor het midden der 11de eeuw, in Sint Bernolds tijd, was Renkum in het bezit van een eigen heiligdom, hetzij dan kerspelkerk of kapel, blijkbaar gesticht door de graven van Redinchem.

Een afstammeling van graaf Wichman, de vrome Meynwerck bisschop van Paderborn, geeft een goed beeld, als hij op 2 November 1031 getuigt dat hij aan het klooster Abdinghof uit zijn ouderlijk erfgoed, behalve veel andere bezittingen, ook geschonken heeft: "Radenigheim cum ecclesia et decima". Dezelfde vermelding vinden we nog bij den monnik Alpertus in zijne Vita Meinwerci, waar de schenking aldus wordt omschreven: in Radincheim icurtem cum familia, cum capella et decima super dimidiam villam.

Dankzij Meinwerck, zoon van Adela (de dochter van graaf Wichman) weten we dus dat er in het jaar 1031 reeds een kapel in Redichem aanwezig was. De Hartense Capel, op de kaart hieraast.

In 1183 wordt voor het eerst melding gedaan van een andere kapel in Renkum. De kapel stond op eigendommen van de Hertog van Gelre. Op verzoek van de hertog van Gelre hebben de zuster Augustinessen uit Zwolle in 1405 is de kapel uitgebreid als klooster van de Augustijner regularissen. Het klooster kreeg de naam Sancta Maria. Bron

In het jaar 1380 is op een wonderbaarlijke wijze een Mariabeeld in deze kapel verschenen. Hierdoor werd Renkum een belangrijke bedevaartsplaats.  "tot onser liever Vrouwen Capellen van Redinchem, en willende deselve in deze goede devotie naer voighen door de groote begeerte die hij hadde tot het Heyligdom op die selfde capelle rustende".

Als het klooster gereed is geeft Hertog Reinald IV vele schenkingen aan het kooster. Eén daarvan is het recht om de Hartense beek te verleggen langs het klooster tot "haare wille en nutte". Het klooster werd zeer rijk door inkomsten uit huizen, landerijen en de bezittingen van de de koosters uit Elten en Paderborn. Hiertoe behoorden gronden die gelegen waren in het beekdal. Zoals erve, de Cortenberg, met ruim zeven morgen land.
Ruim anderhaive eeuw heeft het klooster een belangrijke rol in het dorp en omgeving gespeeld. Omstreek 1580 verloor het tengevolge van de Reformatie zijn betekenis. Het Mariabeeld heeft alles overleefd en is na vele omzwervingen, weer in Renkum aanwezig.

klooster Renkum
Uit: De kelnarij van Putten; onderzoek naar den rechtstoestand harer bezittingen. Mei 1631. Opheffing van het klooster te Renkum. Op requeste van Gijsbert van Brienen

Na de Reformatie is het klooster nog geruime tijd, in ieder geval tot 1682, voor bewoning in gebruik geweest. Als het klooster wordt onteigend vallen alle goederen en landerijen aan het Kwartier Veluwe. Grunsfoort is veelal van Gelre geweest. 

Verschillende kloostergoederen werden verkocht: De Cortenbergh in 1639 verkocht aan Jhr. W. van Raesvelt, met 19 morgen grond. Het kloostererf wordt in 1682 door Gedeputeerde Staten verkocht aan Swane P. van Essen, weduwe van W. van Ghendt. Het bezit van de familie van Ghendt wordt in 1703 door Willem Joseph van Ghendt verheven tot een Gelders Leengoed. Behalve de restanten van het klooster behoorde hiertoe ook de Keijenberg. En de Keijenberg heeft een periode dezelfde eigenaar gehad als de Quadenoord.

Uit Demoed, pagina 171: "De bouwinge, genaamd het Klooster, bestaande uit huis, hof, berg en terrein met de daarbij aanleggende weilanden, mitsgaders den ouden boomgaard, en de oostelijke helft van de Kloosterkamp, alles tezamen groot plm. 15 morgen (12 ha) wordt in datzelfde jaar [1791] verkocht aan J. F. Krepel, papiermaker op de molen bij de herberg den Bock".
Grunsfoort

Grunsfoort was een adellijk Huis, dat in de Geschiedenis van Gelderland een rol heeft gespeeld. Het is vermoedelijk gebouwd als grensvesting tegen het Sticht en ter verdediging van den Rijnovergang alhier. In de 14de  eeuw was het een sterke Burcht, die in 1372 na een kort beleg door Jan van Chatillon, Graaf
van Bloys,  werd genomen. Het bleef, gedurende den oorlog met Willem van Gulik, een wapenplaats voor de partijgenooten van Hertogin Machteld, vergeefs door partijgangers der Bronckhorsten belegerd.
Na zeven jaar ruzie om van wie Grunsfoort nu is, komt het in bezit van de Hertog van Gelre, Willem van Gulik.

Het kasteel werd een vorstelijk domein, waar de Hertog veel vertoefde.
Hertog Karel van Bourgondië gaf in 1473 Grunsfoort in leen aan Gerrit van Rijswijk. Het werd toen opnieuw versterkt en achtereenvolgens bezeten door Adolf van Egmond, Hendrik Bentinck, Albert van der Lawyck en Reinier van Gelder, Heer van Arssen.

Na de dood van Baron van Go!tstein heeft ziin weduwe, Judith Margaretha van Essen, verschillende delen van het goed verkocht. Zoals we reeds bij de geschiedenis van het klooster konden lezen, had deze familie reeds een groot gedeelte van het beekdal in handen. In deze Iaatste periode van het kasteel werd het grondgebied meer en meer versnipperd en in hoofdzaak bij het aangrenzende landgoed de Cortenberg gevoegd.
In 1780 werd het door Reinier van Lynden (Lijnden) in 1730 nog geheel verbouwde kasteel gesloopt. In het jaar 1850 verme!dt de geschiedkundige Van de Aa, dat er nog jets schuurtje dienst kan doen. En verder dat er aan de oost- en westzijde van het weiland een overblijfsel is van een boog met twee bruggen.
Het eens zo trotse kasteel aan de voet van de Wageningse Berg was vergane glorie geworden.

Lynden liet omstreeks 1730 Grunsfoort afbreken en een nieuw gebouw daarvoor optrok, dat “rondsom in sijne graft en in ’t geboomte staat en zeer deftig zich vertoont”. Bron: Civiele Sententien. VIII,72 en idem XIX, 61 en J. Wagenaar, Tegenwoordige Staat, Gelderland, blz. 516”

Als bezitting van de Lijndens en Goltsteins had het Huis geen geschiedkundige waarde meer. In 1730 werd het gesloopt, herbouwd en in 1780 weer afgebroken om plaats te maken voor een ander groot buitenhuis: Cortenbergh

Uit: In 't Geldersche Rijnland: Jan L. de Boer; 1938
Wandelen in het Renkums Beekdal; Ruud Schaafsma, 1997
Grunsfort (1464), Gruensfoirt (1472), Groensvoort (1473), Gruensfoirde (1478), Grensfort (1534) en Groensvoort (1570).

Volgens velen wijst deze naam op een doorwaadbare plaats in de rivier, liggende op de grens tussen Utrecht en Gelderland.

Ruud Schaafsma: Wandelen in het Renkums Beekdal; 2de druk; 1997, kent nog een andere aannemelijke verklaring: Groen-weiland.
Corthenberg

Het landgoed De Cortenbergh, lag ten zuid- westen van Grunsvoort in het beekdal. De Cortenbergh behoorde tot de bezittingen van het klooster en kwam in 1639 in het bezit van Jhr. W. van Raesvelt.

De naam van Kortenburg komt reeds op eene oude lijst der Renkumsche kloostergoederen voor. In het jaar 1639 werden twee boeren erven, die dezen naam droegen, door de Staten des Veluwschen Kwartiers, verkocht aan Jonkheer Willem van Raesfelt, die deze bezitting vervolgens, door aanzienlijke gedeelten der aangrenzende dominiale heedvelden aan te koopen, of in erfpacht te nemen, aanmerkelijk vergrootte. Naderhand kwam Kortenburg in het geslacht van Van Lawyck en behoort, thans aan de erfgenamen van wijlen den heer Paul Matthias Thomas. - In zijne tegenwoordige uitgestrektheid ligt dit landgoed ter weerszijde van den Utrechtschen weg, die het scheidt in twee ongelijke deelen, van welke het grootste, noordwaarts van dien weg, op den Wageningschen berg gelegen is. Schuins tegen over de herberg den vergulden Bok ligt het huis, dat nog menig kenmerk van zijnen ouden bouwtrant draagt, aan het hangen van eenen berg, op geringen afstand van den grooten weg, op welken het over eene weide uitziet.. Uit Wandelingen in een gedeelte van Gelderland;  Is. An. Nijhoff; 1836 5de druk

Als Grunsfoort wordt afgebroken in 1780, verschijnt op een iets zuid-westelijker locatie de Corthenberg of Kortenburg.
Sindsdien heeft het landgoed verschillende eigenaren gekend, maar voor de geschiedenis van het beekdal nemen we de draad weer op in het jaar 1853. In dat jaar kwam het landgoed door verkoop in het bezit van Mr. Reinhard Crommelin. Deze liet het oude huis in 1869 geheel renoveren, maar dit beviel hem kennelijk nog niet helemaal, want enkele jaren later werd de villa geheel afgebroken. Op de plaats van het huidige Oranje Nassau's Oord verscheen een riant buitenverblijf.
De bezittingen behorende bij dit landgoed waren in die jaren aanzienlijk. Bij het huis behoorde onder andere nog een tweetal boerderijen, te weten De Lange Schuur, die bij het herenhuis was gelegen en de boerderij Suurenck, gelegen aan de Hartenseweg. Ook deze naam werd op verschillende manieren geschreven: Suurenck, Suurénk of Zuiderenck. Behalve over de bij een dergelijke bouwing behorende gronden, wordt voor Suurenck in de koopakte van 1853 ook gesproken over dennenbos en beek, benevens een badplaats met koepel.
Was op de Cortenbergh al een water-korenmolen aanwezig, ook de op Harten aanwezige water-oliemolen behoorde geruime tijd tot het gebiedvan de Cortenbergh. Tevens behoorde een gedeelte van het landgoed de
 Keijenberg en de Quadenoord bij de Cortenbergh. Na de dood van de heer Crommelin is door een boedelscheiding het landgoed in verschillende delen uitgevallen.

Het is een oud-adellijk verblijf, dat eertijds aan de graven van Gelre behoorde en  in het bezit was, eerst van de familie Crommelin en vervolgens van de graaf van Rechteren van Appeltern, uit wiens hand het aan Zijne Majesteit overging in 1881.

Na het overlijden van de heerCrommelin, in 1871, kwam het landgoed in het bezit van Mr. Gerard Willem, graaf van Rechteren, Heer van Appeltern. Zowel Mr. Crommelin als Graaf van Rechteren hadden een hechte band met de Renkumse bevolking. Met name Graaf van Rechteren bracht op het landgoed veel verbeteringen aan en gaf het een nieuwe naam Grunsfoort, naar het nabije, doch verdwenen kasteel.

Na een jachtpartij op het Iandgoed, waar ook koning Willem III aan deelnam, kwam er voor het landgoed
weer een verandering. De koning raakte onder de indruk van de mooie omgeving van het  landgoed en gaf te kennen het Iandgoed Grunsfoort te willen kopen als zomerverblijf voor zijn echtgenote, koningin Emma.
Gemakkelijk is het voor de familie van Rechteren niet geweest om afstand van hun bezit te doen, maar uiteindelijk gaf men toch gehoor aan de wens van de koning.

Koning Willem III kocht in 1881 het buitengoed Grunsfoort bij Wageningen. Hij liet het  verbouwen en schonk het aan zijn jonge tweede vrouw: Koningin Emma,  prinses van Waldeck- Pyrmont. Het bestaande landhuis werd uitgebreid verbouwd en het landgoed werd omgedoopt in 'Koninklijk Domein Oranje Nassau's Oord'

Op 29 augustus 1881 werd Kortenburg koninklijk bezit. Reeds op 15 september van dat jaar kwam het Koninklijk paar zijn nieuw verworven bezit bezichtigen en zo lezen we in de Renkumse Courant van die dagen:
"De koningin genoot zichthaar van het fraaie Iandgoed, van de heldere beken, van de watervat en de watermolen en van de uitgestrekte bossen die zij vanuit een open landauer in ogenschouw nain. Dit alles ging gepaard met een grootse ontvangst en bloemenhulde van de Renkumse bevolking".
Renkum was een koninklijke residentie rijk geworden! Meteen bij de overdracht vond er een naamsverandering voor het landgoed plaats. De historische naam Kortenburg verdween voorgoed en
er kwam voor in de p!aats:
"Koninklijk Particulier Domein Oranje Nassau's Oord".
Ook het Iandgoed werd door de koning verfraaid. Het huis kreeg er een extra verdieping bij en werd voorzien van een kostbaar interieur. Er kwam een koetshuis met stallen en ook de tuin onderging een belangrijke verandering. Hiervoor werd vooral gebruik gemaakt van de aanwezigheid van het heldere water van de door het Iandgoed
stromende beken. Verschi!lende vijvers en waterpartijen werden aangelegd.
Koning Willem Ill was een hartstochtelijk visser. Zo lezen we in de Neder-Veluwe van april 1884, "dat door Z.M. de
koning tijdens ziin verblijf op Oranje Nassau's Oord, behalve in de grachten nabij de ruïnen van het oude kasteel Grunsfoort, ook weder op de Rijn gevist zal worden. Een zalm net dat de gehele breedte der rivier moet beslaan, wordt door den zalmvisser Koender uit Renkum, voor Z.M. gereed gemaakt.
Tevens zullen voor deze visvangst de op Oranje Nassau's Oord, aanwezig zijnde sloepen Emma en de Wilhelm ma voor deze vangst worden gereedgemaakt". Het was ook de koning, die in de beken van het beekdal
forel liet uitzetten.
Na het overlijden van koning Willem Ill in 1890 werd koningin Emma Regentes en kon zij nog maar zelden in
haar zomerverblijf verblijven. Dit was mede de reden dat zij, bij de inhuldiging van haar dochter Wilhelmina tot koningin der Nederlanden, besloot om het landgoed te bestemmen tot sanatorium voortuberculose patiënten. Op 10 april 1899 werd middels een stichtingsakte dit besluit bekrachtigd.
Huize en landgoed De Keijenberg, Renkum.

De gronden rondom de buurtschap de Harten waren medio 1600 in eigendom van het klooster. In 1639 werden de gronden verkocht aan de Staten van het kwartier Veluwe en werd Frederik van Essen tot holtrichter aangesteld. In 1650, na zijn overlijden, kwamen de gronden in handen van zijn dochter Swane Penseè, die trouwde met Willem Joseph van Ghent.

Na het overlijden van Swane Pensee van Gendt - van Essen, liet zij de eigendommen na aan haar twee zoons: Willem Joseph baron van Gendt (1671-1732), oudkapitein ter zee, ongehuwd blijvende (kreeg landgoed De Keijenberg) en Frederik Hendrik (kreeg landgoed Quadenoord).

Als W. J. baron van Gent sterft eind 1732, laat hij zijn bezit na aan zijn nicht Margaretha Maria van Ghent (1707-1766). Zij wordt met de Keijenberg beleend. Zij trouwde in 1726 met de grietman (burgemeester) van Dantumadeel, Michael Onuphrius baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (1695-1758), eigenaar van Quadenoord en zo kwamen beide landgoederen in één hand. Hun enige zoon Wilco, ook grietman en lid van Gedeputeerde Staten van Friesland, overleed in 1788. Rond 1790 worden enige stukken land van dit grote bezit afgesplitst. Het gaat hier dan om ‘kampen’ met akkermaalshout (geriefhout) en tabak, om hooi- en weiland en om stukken uiterwaard.

In 1791 werd het landgoed verkocht aan Jan van Donselaar en Eva Thomas. Het was een leen van Zutphen. Zij verkochten het landgoed in 1798 voor Hfl. 6.804,= aan jonkheer C. Munter.
Zij konden met de opbrengst van de verkoop,  voor zich zelf het huis Bellevue bouwen, tussen de wegen naar Quadenoord en de veldweg naar Planken Wambuis. Bellevue brandde omstreeks 1840 af en werd vervangen door een boerderij.

Huize de Keienberg, Renkum
Huize de Keijenberg, Renkum, opname uit 2014.

Het huis de Keijenberg werd in 1820 gebouwd door Jhr. Cornelis Munter en had een koetshuis en een theekoepel. Formeel ontstaat dan in 1820 het landgoed. Munter liet in 1820 het herenhuis bouwen en noemde het landgoed "De Beken", vanwege de drie beken die door het landgoed stromen. Ten noorden van de boerderij liet hij een "slingerbos" aanleggen uit liefde voor zijn zus Margaretha Johanna, genaamd "Het Vriendschapsbosje". In het bos werd een steen geplaatst met een plaquette met daarop een gedicht over vriendschap. De originele plaquette is verloren gegaan maar het gedicht is herplaatst. Munter liet ook een uitzichts- of theekoepel bouwen aan de westrand van het beekdal. Deze was twee verdiepingen hoog en bedekt met een rieten kap. De latere eigenaar Wurfbain liet het afbreken vanwege de slechte staat. De plaats van het voormalige theekoepel is gemarkeerd door palen.

Na de dood van Munter in 1828 wordt de heer P. A. de Veer eigenaar en het landgoed is dan 196 ha. groot.

Na het overlijden van Munter in 1828 werd het landgoed eigendom van P.A. de Veer, die het in 1836 verkocht aan C.A. baron Sirtema van Grovestins (1780-1841).
Op den Huize den Keijenberg onder Renkum overleed den 11den April 1841, de Hoog Wel Geboren Heer Carolus Augustus Sirtema Baron van Grofestins, in den ouderdom van ruim 60 jaren.

De erven verkochten het aan de koopman G. van Santbergen uit Amsterdam die het als zomerverblijf gebruikte.

verkoop Keijenberg de Beken

Volgens bovenstaande advertentie uit het Algemeen Handelsblad van 14-08-1841, bestaat het voormalige landgoed de Beken, later genaamd landgoed de Keijenberg uit: het Herenhuis, dat we nu kennen als de Keijenberg; de Hofstede Everwynsgoed; de Hofstede de Kwadenoord; de Uiterwaard de Maatschewerde; eene Hofstede onder Renkum, naast Bellevue, met deszelfs Hof en Bouwland en de Uiterwaard de bovenste Kaphaansche Waard.
Uit: Arnhemsche courant, 18-04-1841.

advertentie Keijenberg 1842

Als eigenaar wordt C. A. Baron van Grovestein gevolgd door een aantal Amsterdammers. De eerste eigenaar afkomstig uit Amsterdam is de heer G. van Santbergen, die het goed koopt in 1843.

In 1845 spreekt Van der Aa over “een herenhuis, een park, koepel, boomgaard, tuinen en wandelingen; [naast] drie hofsteden, twee uiterwaarden, bosschen, heide , bouw- en weiland, 233 bunder”. De volgende eigenaar was rond 1845-48 de heer C. D. Schüller. Schüller biedt het landgoed aan de heer Willem Hendrik Suringar, die actief was met het realiseren van een gezinstehuis (woningen) voor moeilijk opvoedbare jeugd. De Keijenberg leek hier minder geschikt voor en Schüller geeft dan in plaats van de Keijenberg, een gelijke hoeveelheid aan geld, waardoor Suringa het landgoed Rijsselt bij Zutphen kan kopen. En daar begint dan in 1851 het Nederlands Mettray.
1849: Woonachtig vrouwe Maria Cornelia Costerman, weduwe den heer Francois van Vollenhoven, particuliere, woonachtig op den huize de Keijenberg onder Renkum.

De Amsterdamse kooplieden D. Schuller (1848) en G.L. Wurfbain (1855) waren ook tijdelijk eigenaar.

In 1855 is de heer G. L. Wurfbain de eigenaar van de Keijenberg, die alle gronden in 1875 verkoopt.


In 1875 kwam het landgoed in bezit van Jonkheer Mr. F.J.H. Schimmelpenninck uit Amsterdam. Schimmelpenninck woont er als huurder al langer. Na zijn dood in 1906 valt De Keijenberg toe aan zijn dochter Jkvr. G.J.Ph. Schimmelpenninck (1864-1939), en zij is gehuwd met Mr. C. H. Beels en woonde in Arnhem. Het staat leeg.

Een onbezoldigd rijksveldwachter betrapte wederom een tweetal studenten, die zich op de „Keijenberg" te Renkum ophielden en waarvan een 'n geladen geweer in jagende houding bij zich droeg. Het geweer werd in beslag genomen, en tegen de overtreders procesverbaal opgemaakt. Uit: Arnhemsche courant, 28-12-1912.

In 1915 verkoopt de Jkvr. G.J.Ph. Schimmelpenninck de Keijenberg aan haar broer Jhr Mr A.G. Schimmelpenninck uit Zuilen (1868-1956). Hij heeft veel verbeterd en verfraaid aan het landgoed en de opstallen. Het huis wordt in 1930 met een vleugel vergroot. Schimmelpenninck knapte ook de boerderij Bellevue/De Beken op. Het is bekend dat de bekende landschapsarchitect Samuel Voorhoeve uit Oosterbeek voor Schimmelpenninck werkte tussen 1921 en 1934 en van 1940 tot 1944. Onduidelijk is wat hij precies heeft gedaan. Waarschijnlijk was hij in dienst als rentmeester en heeft hij geadviseerd en plannen gemaakt omtrent aankopen, ontginning, inrichting en beplanting van de gronden. In die tijd werd in ieder geval het terrein aanmerkelijk uitgebreid en gereorganiseerd.
Schimmelpenninck woonde niet zelf in het herenhuis, maar verhuurde het aan de Meester Slotemaker de Bruïne stichting als rusthuis voor huismoeders

"Huize „de Keijenberg". Na eenige jaren leeg te hebben gestaan is huize „de Keijenberg" dezer dagen wederom door den eigenaar, den heer jhr. mr. A. G. Schimmelpenninck, Groot-Officier van H. M. de Koningin, betrokken".
Uit: Arnhemsche courant, 21-06-1939.

  De Slotemaker de Bruïne stichting bestierde op de Keijenberg een rusthuis voor huismoeders, daarna in 1964 werd de Keijenberg een vakantie- en conferentieoord van de Nederlands Hervormde Kerk, in 1966 werd het een vormingscentrum. In 1968 was de heer W. van Dam, leider van het protestants-christelljke vormingscentrum „De Keijenberg" te Renkum. In die tijd werden er ook cursusdagen voor verzorgenden in het vormingscentrum De Keyenberg te Renkum gehouden.

De Hervormde Stichting Kerk en Wereld heeft een archief met een foto- en diaverzameling,  gemerkt A-I, 1945-1999. Hier staan er enkele, even scrollen.

Renkum Keijenberg

In 1974 werd het landgoed aangekocht door Staatsbosbeheer. Rond 1992 -1995 werden er door verschillende instellingen congressen georganiseerd. De Keijenberg gebruikte de naam: Conferentiecentrum de Horst. Enkele congressen: Diabetesvereniging Nederland, Nijmeegse Colloquia en DVN van de Nijmeegse Universiteit. In 2004 werd het een opvangcentrum voor asielzoekers. En vanaf 2004 is het in gebruik bij Woonzorgnet. Het landgoed (bos) is vrij toegankelijk. Het terrein rond het huis zelf is privé. (foto's) Bij Wikipedia is een andere ontstaansgeschiedenis te lezen!

Oudjes uit tehuizen met vacantie. In Drachten zal deze zomer de bevolking van een rusthuis met vakantie gaan. Het betreft hier de bejaarden uit de Wiersma-Reltsmastichting („Herbranda") te Buitenpost. Naar we menen te weten is vakantie voor bejaarden in deze vorm voor Friesland iets nieuws. In het westen werd het al eerder gedaan. De veertien bewoonsters van „Herbranda" te Buitenpost gaan met enkele verzorgsters van 27 juni tot en met 4 juli naar het hervormd vakantieoord „De Keijenberg" te Renkum. Zij zullen daar met auto's worden heengebracht en ook weer naar huis gereden. Zoals de directrice van „Herbranda" het tegenover ons uitdrukte: „ze leven er echt naar toe".
Uit: Leeuwarder courant : hoofdblad van Friesland, 13-04-1959.

eigenaren volgens buitenplaatsen in Nederland:
1791 - 1798 Jan van Donselaar en Eve Thomas
1798 - 1828 jkh. C. Munter
 1828 - 1836 P.A. de Veer
1836 - 1841 C.A. baron van Sirtema van Grovestins
1841 - erven Groevestins
- G. van Santbergen
- D. Schuller
- G.L. Wurfbain
1875 - 1906 jkh mr F.J.C. Schimmelpennick
1906 - 1915 jkvr G.J.Ph Schimmelpennick x mr. C.H. Beels
1915 - 1956 jhr. mr. dr. A.G. Schimmelpennick
1956 - 1974 familie Schimmelpennick
1974 - Staatsbosbeheer

Wikipedia: De Keijenberg,
E-depot WUR Keijenberg

Everwijnsgoed

Zie bij boerderijen
Quadenoord

binnenkort.